Btw

Btw-tarieven

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

De tariefstelling in de omzetbelasting bepaalt tegen welk percentage een levering van goederen of een dienst in de heffing wordt betrokken. De wet werkt met één hoofdregel van 21% en twee gesloten uitzonderingslijsten: Tabel I somt de goederen en diensten op die tegen 9% worden belast, Tabel II die tegen 0%. Valt een levering of dienst onder geen van beide tabellen, dan geldt zonder verdere toets het algemene tarief. Omdat de tabelposten vaak zijn geformuleerd rond alledaagse maar juridisch onscherpe begrippen zoals levensmiddel, sportbeoefening of hulpmiddel voor gehandicapten, ontstaat structureel geschil over de grenzen van die posten; dat verklaart de relatief omvangrijke rechtspraak op dit thema.

Dit thema beantwoordt:

  • Wanneer geldt het verlaagde tarief van 9% en wanneer het nultarief van 0%?
  • Wie draagt de bewijslast voor toepassing van een lager tarief dan de hoofdregel?
  • Wat onderscheidt het nultarief van een btw-vrijstelling?
  • Hoe worden grensgevallen zoals levensmiddelen, hulpmiddelen en sportfaciliteiten getoetst aan een tabelpost?
  • Welk tarief geldt bij een tariefwijziging tussen het sluiten van de overeenkomst en de feitelijke levering?

Hoofdregel en tabelsystematiek

Art. 9 Wet OB 1968 bevat de kern van de tariefstelling en telt twee leden. Lid 1 bepaalt de hoofdregel: de belasting bedraagt 21 percent. Elke levering of dienst die niet expliciet op Tabel I of Tabel II voorkomt, valt onder dit percentage. Lid 2 bevat de uitzonderingen: onderdeel a stelt het tarief op 9 percent voor leveringen van goederen en diensten die zijn genoemd in Tabel I; onderdeel b stelt het tarief op nihil voor leveringen en diensten genoemd in Tabel II, mits is voldaan aan bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden. Die aanvullende voorwaarde-eis geldt naar de tekst van onderdeel b niet voor het verlaagde tarief van onderdeel a: voor Tabel I volstaat plaatsing op de tabel.

Tabel I, onderdeel a, somt goederen op: onder meer voedingsmiddelen (post a.1), geneesmiddelen (post a.6), verbandmiddelen (post a.8), water (post a.28), kunstvoorwerpen (post a.29), boeken en periodieken (post a.30) en hulpmiddelen voor gehandicapten (post a.31 en verder). Onderdeel b somt diensten op: onder meer herstel van de in onderdeel a genoemde goederen (post b.1), gelegenheid tot sportbeoefening (post b.3), fiets- en schoenherstel (post b.4 en b.5), kappersdiensten (post b.7), horecaverstrekking van voedingsmiddelen (post b.12) en toegang tot musea, theater, bioscopen en sportwedstrijden (post b.14). Tabel II ziet in de kern op grensoverschrijdende situaties: van buiten Nederland komende goederen die niet zijn ingevoerd, uitvoer uit de Unie, de bevoorrading van zee- en luchtvaartuigen in het internationale verkeer, en goederen die naar een andere lidstaat worden vervoerd in het kader van een intracommunautaire levering. Voor het spiegelbeeldige tarief bij invoer uit een derde land, zie invoer, artikel 23.

De kwalificatie onder een tabelpost is een feitelijke toets aan de letterlijke bewoordingen van die post; de bewijslast voor toepassing van het verlaagde tarief of het nultarief rust op de ondernemer die zich daarop beroept.

Kerncijfers

ElementWaardeGrondslag
Algemeen tarief21%art. 9 lid 1 Wet OB 1968
Verlaagd tarief (Tabel I)9%art. 9 lid 2 onderdeel a Wet OB 1968
Nultarief (Tabel II, mits AMvB-voorwaarden)0%art. 9 lid 2 onderdeel b Wet OB 1968
Tarief logiesverstrekking (post b.11 sinds 1 januari 2026 uit Tabel I geschrapt)21%art. 9 lid 1 Wet OB 1968

(wettekst geldend per 2026)

Kwalificatie van tabelposten: scherpe randen

Wat wel en niet onder Tabel I valt, kent scherpe randen. Post a.1 rekent eet- en drinkwaren voor menselijke consumptie tot de voedingsmiddelen, met dien verstande dat tot de voedingsmiddelen niet worden gerekend alcoholhoudende dranken. Een algemene aantekening bij Tabel I sluit bovendien uitdrukkelijk pootgoed en land- en tuinbouwzaden uit die bestemd zijn om planten of vruchtlichamen van schimmels te doen voortkomen die voorkomen op lijst I of II bij de Opiumwet.

Deze uitsluiting speelde in een reeks procedures over de kwalificatie van magische truffels (sclerotia) als levensmiddel in de zin van post a.1: eerst bij het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2023:3125) en driemaal bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2024:2267, ECLI:NL:GHARL:2024:2268 en ECLI:NL:GHARL:2024:2269), en ten slotte bij de Hoge Raad. Die oordeelde dat magische truffels niet kwalificeren als levensmiddel voor menselijke consumptie: hoewel truffels voedingsstoffen bevatten, worden zij uitsluitend geconsumeerd voor het psychedelische effect, in zulke kleine hoeveelheden dat de noodzakelijke voedingsstoffen verwaarloosbaar zijn geworden, zodat het verlaagde tarief niet van toepassing is (ECLI:NL:HR:2026:450).

Ook bij diensten speelt de feitelijke kwalificatie. De Hoge Raad oordeelde dat het ter beschikking stellen van kajuitzeiljachten met gebruikmaking van havenfaciliteiten tegen een abonnementsprijs kwalificeert als het gelegenheid geven tot sportbeoefening (post b.3), zodat het verlaagde tarief van toepassing is (ECLI:NL:HR:2024:854). Voor hulpmiddelen voor gehandicapten (post a.31 en verder) oordeelde de Rechtbank Gelderland dat een traplift geen invalidenwagentje en evenmin een daaraan soortgelijk goed is in de zin van post a-34, zodat het verlaagde tarief niet geldt, en dat het vertrouwensbeginsel geen langere overgangstermijn meebrengt (ECLI:NL:RBGEL:2024:2958). Voor geneesmiddelen zonder handelsvergunning of parallelhandelsvergunning (post a.6) was bij het Gerechtshof Amsterdam in geschil of het verlaagde tarief niettemin van toepassing is, mede in het licht van het neutraliteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel (ECLI:NL:GHAMS:2024:1132).

Nultarief en de samenloop met de vrijstelling

Het nultarief van onderdeel b is geen synoniem van een btw-vrijstelling. Bij een vrijstelling is geen btw verschuldigd, maar bestaat ook geen recht op aftrek van voorbelasting; bij het nultarief is de verschuldigde belasting weliswaar nihil, maar blijft het recht op aftrek van voorbelasting volledig in stand, omdat de levering of dienst fiscaal gezien wél belast is, alleen tegen 0%. Dat onderscheid stond centraal bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, waar in geschil was of HOVO-cursussen zijn vrijgesteld van omzetbelasting of moeten worden belast naar het verlaagde tarief; het hoger beroep van de inspecteur werd gegrond verklaard (ECLI:NL:GHSHE:2024:4067).

Bij een tariefwijziging tussen het sluiten van de overeenkomst en de feitelijke levering is de aard van die overeenkomst bepalend voor het overgangsrecht. De Hoge Raad oordeelde dat de overgangsregeling bij de btw-tariefverhoging voor woningen alleen geldt voor overeenkomsten die als zodanig strekken tot levering van een woning, en niet voor een afnamegarantieovereenkomst die slechts een verkoopoptie vastlegt (ECLI:NL:HR:2023:1529). Dit speelt in het bijzonder bij onroerende zaken met een lange doorlooptijd tussen koopovereenkomst en oplevering.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • De bewijslast voor het verlaagde tarief of het nultarief rust op de ondernemer; de kwalificatietoets is strikt en feitelijk, niet functioneel of ruim.
  • Het nultarief kent, naast plaatsing op Tabel II, de aanvullende eis dat aan de bij AMvB gestelde voorwaarden is voldaan; die eis geldt niet voor het verlaagde tarief.
  • Het onderscheid tussen nultarief en vrijstelling is beslissend voor het recht op aftrek van voorbelasting en wordt in de praktijk regelmatig verward.
  • Bij vastgoedtransacties met een lange doorlooptijd is de aard van de overeenkomst (levering versus verkoopoptie) bepalend voor het overgangsrecht bij een tariefwijziging.
  • Voor grensgevallen bij Tabel I-posten (levensmiddelen, hulpmiddelen, sportfaciliteiten) zijn de contractvorm en het overheersende gebruiksdoel van het product relevant voor de kwalificatie.

Recente ontwikkelingen

  • 2023: kennisgroepstandpunt over het tarief bij het uitlenen van bemanning van een zeeschip vervallen verklaard, waarin het nultarief werd toegepast op de vergoeding voor terbeschikkingstelling van bemanning voor cruiseschepen (KG:210:2023:3).
  • 2023: de Hoge Raad oordeelt dat de overgangsregeling bij de btw-tariefverhoging voor woningen alleen geldt voor overeenkomsten die zelf strekken tot levering, niet voor een afnamegarantieovereenkomst (ECLI:NL:HR:2023:1529).
  • 2024: kennisgroepstandpunt ingetrokken waarin bij doorverkoop van tickets toegang tot evenementen in de zin van post b.14 werd aangenomen, met toepassing van de margeregeling (KG:209:2024:3).
  • 2024: de Hoge Raad oordeelt dat het abonnementsgewijs ter beschikking stellen van kajuitzeiljachten met havenfaciliteiten kwalificeert als gelegenheid geven tot sportbeoefening (post b.3), zodat het verlaagde tarief geldt (ECLI:NL:HR:2024:854).
  • 2026: per 1 januari is post b.11 (logiesverstrekking) uit Tabel I geschrapt, zodat die dienst sindsdien tegen het algemene tarief van 21% wordt belast; de aangenomen verhoging van het verlaagde tarief voor cultuur, sport, media en boeken naar 21% is vlak voor inwerkingtreding teruggedraaid, zodat die posten op 9% zijn gebleven (Besluit BWBR0052086, toelichting Tabel I).
  • 2026: de Hoge Raad oordeelt dat magische truffels niet kwalificeren als levensmiddel in de zin van post a.1, omdat zij uitsluitend voor het psychedelische effect worden geconsumeerd en de voedingsstoffen daarbij verwaarloosbaar zijn (ECLI:NL:HR:2026:450).

Gerelateerde thema's

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 19 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.