Btw
Margeregeling
Bijgewerkt op 19 juli 2026
De margeregeling is een bijzondere heffingsmethode in de omzetbelasting voor wederverkopers van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten. In plaats van btw te berekenen over de volledige verkoopprijs, wordt de belasting berekend over de winstmarge: het verschil tussen de verkoopprijs en de inkoopprijs. De regeling voorkomt dat goederen die al een keer "in de consumptiesfeer" zijn beland, bij doorverkoop opnieuw volledig in de heffing worden betrokken terwijl er geen aftrekbare voorbelasting tegenover staat.
De achtergrond is eenvoudig: wanneer een wederverkoper een gebruikt goed inkoopt van een particulier of van een andere partij die geen btw in rekening kan brengen, zit er geen aftrekbare voorbelasting in de inkoopprijs. Zonder de margeregeling zou over de volledige doorverkoopprijs opnieuw btw verschuldigd zijn, wat tot cumulatie van belasting zou leiden. Door alleen de marge te belasten, blijft de heffing beperkt tot de daadwerkelijk door de wederverkoper toegevoegde waarde.
De margeregeling kent een individuele variant, waarbij per goed de marge wordt bepaald, en een globalisatiemethode, waarbij de marge periodiek wordt vastgesteld over een verzameling goederen. Beide varianten vereisen een eigen, specifieke administratie die afwijkt van de reguliere btw-administratie, omdat de inkoopprijs per goed (of per periode) traceerbaar moet zijn.
Wanneer speelt dit
Het thema komt op bij de handel in tweedehands auto's, kunst, antiek en verzamelobjecten, en bij veilinghuizen die dergelijke goederen namens particuliere verkopers veilen. Het speelt ook wanneer een wederverkoper een bedrijfsmiddel inkoopt van een ondernemer die de kleineondernemersvrijstelling toepaste en het gaat om een in dat bedrijf gebruikte roerende zaak waarop voor de inkomsten- of vennootschapsbelasting wordt of kan worden afgeschreven, van een andere wederverkoper die al de margeregeling toepaste, of van een ondernemer of wederverkoper uit een andere lidstaat bij een levering als bedoeld in artikel 314, onder b, c of d, van de BTW-richtlijn 2006. Discussies ontstaan verder rond de kwalificatie als ondernemer, de combinatie van de margeregeling met de veilingregeling, en de vraag of over commissies en opgelden apart btw verschuldigd is.
Wettelijk kader
Art. 28b Wet OB 1968 vormt de kern van de regeling. Lid 1 bepaalt dat, "in afwijking van artikel 8, eerste lid, de belasting [wordt] berekend over de winstmarge" wanneer een wederverkoper gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten levert. De winstmarge wordt gedefinieerd als "het verschil tussen de vergoeding en hetgeen ter zake van de levering van een dergelijk goed aan de wederverkoper door hem is of moet worden voldaan". De heffingsgrondslag is dus niet de verkoopprijs, maar het verschil tussen verkoopprijs en inkoopprijs.
Lid 2 begrenst de toepassing tot situaties waarin het goed aan de wederverkoper is geleverd door een van een limitatief aantal categorieën leveranciers. De bepaling eist dat het goed is geleverd door "een ander dan een ondernemer" (onderdeel a), of door "een ondernemer, met toepassing van artikel 11, eerste lid, onderdeel r" (onderdeel b), of door een ondernemer die de kleineondernemersvrijstelling van artikel 25a, eerste lid toepast, "mits het een in zijn bedrijf gebruikte roerende zaak betreft waarop de ondernemer voor de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting afschrijft of waarop hij zou kunnen afschrijven" (onderdeel c), of door "een andere wederverkoper, met toepassing van het eerste lid" (onderdeel d), of door "een ondernemer of een wederverkoper uit een andere lidstaat, mits het een levering is als bedoeld in artikel 314, onder b, c of d, van de BTW-richtlijn 2006" (onderdeel e). Het gaat hier om vijf zelfstandige, alternatieve categorieën ("of"): voldoen aan één van de vijf is voldoende om aan de voorwaarde van lid 2 te voldoen. De opsomming in het beschikbare fragment van art. 28b beperkt zich tot deze twee leden; over eventuele overige leden van dit artikel doet dit dossier geen uitspraak.
Belangrijkste rechtspraak
De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2022:1867 (2022) dat een veilinghouder die de veilingregeling van artikel 3, lid 5, Wet OB 1968 combineert met de margeregeling, omzetbelasting verschuldigd is over zowel de opgelden als de van particuliere verkopers bedongen commissies.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigde in ECLI:NL:GHARL:2025:1272 (2025) een naheffingsaanslag omzetbelasting die was opgelegd wegens onterechte toepassing van de margeregeling op de handel in gebruikte auto's; het hoger beroep daartegen werd ongegrond verklaard.
Gerechtshof Amsterdam behandelde in ECLI:NL:GHAMS:2020:3545 (2020) de vraag of over de (bruto)bedragen aan commissie die een veilinghouder bij uitbetaling van de hamerprijs aan de verkoper inhoudt, omzetbelasting verschuldigd is.
Ten slotte oordeelde de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2014:1184 (2014) dat goed koopmansgebruik niet toestaat om bij toepassing van de globalisatieregeling van artikel 28d Wet OB een voorziening te vormen voor in de toekomst verschuldigde omzetbelasting, omdat die uitgaven hun oorsprong vinden in toekomstige verkopen.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Bij elke inkooptransactie is per leverancier van belang of deze valt onder een van de vijf categorieën van art. 28b lid 2; het ontbreken van een sluitende onderbouwing per inkoop vormt, zoals de zaak over de gebruikte-autohandel laat zien, een naheffingsrisico.
- Van belang is dat in de administratie de inkoopprijs per goed (individuele methode) of per periode (globalisatiemethode) traceerbaar is vastgelegd, zodat de winstmarge conform art. 28b lid 1 aantoonbaar is.
- Bij veilinghuizen die de veilingregeling combineren met de margeregeling is van belang of over opgelden en commissies afzonderlijk btw verschuldigd is, ook wanneer de onderliggende levering onder de margeregeling valt.
- Bij toepassing van de globalisatiemethode (art. 28d Wet OB) staat goed koopmansgebruik geen voorziening toe voor toekomstig verschuldigde omzetbelasting; dit is door de Hoge Raad expliciet van de hand gewezen.
- Bij inkoop van bedrijfsmiddelen van een kleineondernemer (onderdeel c) is van belang of daadwerkelijk sprake is van een roerende zaak waarop voor de inkomsten- of vennootschapsbelasting wordt of kan worden afgeschreven, aangezien dit een zelfstandige voorwaarde is naast de kleineondernemersvrijstelling zelf.
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
6 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2022:1867 (2022)
De Hoge Raad oordeelt dat een veilinghouder die de veilingregeling van artikel 3, lid 5, Wet OB 1968 combineert met de winstmargeregeling, omzetbelasting verschuldigd is over zowel de opgelden als de van particuliere verkopers bedongen commissies.
-
ECLI:NL:GHARL:2025:1272 (2025)
Het hof oordeelt dat het hoger beroep tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting wegens onterechte toepassing van de margeregeling op de handel in gebruikte auto's ongegrond is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
-
ECLI:NL:GHAMS:2020:3545 (2020)
De zaak betreft of over de (bruto)bedragen aan commissie die een veilinghouder bij uitbetaling van de hamerprijs aan de verkoper inhoudt, omzetbelasting verschuldigd is.
-
ECLI:NL:GHAMS:2023:1427 (2023)
Het Hof oordeelt dat belanghebbende terecht als ondernemer voor de omzetbelasting is aangemerkt en dat geen sprake is geweest van een samenwerkingsverband in de vorm van een commanditaire vennootschap.
-
ECLI:NL:HR:2017:45 (2017)
De Hoge Raad oordeelt dat voor de afschrijving bij bpm-heffing op een geïmporteerde gebruikte auto niet mag worden aangesloten bij een inkoopwaarde die niet is gebaseerd op de prijs die een wederverkoper aan een particulier betaalt, en dat middeling van inkoopwaarden daartoe evenmin is toegestaan wegens strijd met artikel 110 VWEU.
-
ECLI:NL:HR:2014:1184 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat goed koopmansgebruik niet toestaat om bij toepassing van de globalisatieregeling (art. 28d Wet OB) een voorziening te vormen voor in de toekomst verschuldigde omzetbelasting, omdat deze uitgaven hun oorsprong vinden in toekomstige verkopen.
Beleid en standpunten
1 bronnen in de kennisbank-
Besluit BWBR0039381
Beleid inzake samenloop van overdrachtsbelasting en omzetbelasting bij onroerendezaaktransacties, met goedkeuringen voor ongewenste dubbele heffing.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.