Btw
Margeregeling
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
De margeregeling is een bijzondere heffingsmethode in de omzetbelasting voor wederverkopers van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten. In plaats van btw te berekenen over de volledige verkoopprijs, wordt de belasting berekend over de winstmarge: het verschil tussen de verkoopprijs en de inkoopprijs (art. 28b lid 1 Wet OB 1968). Rond deze kernbepaling regelen drie aanvullende artikelen wie kwalificeert, hoe de marge wordt vastgesteld en wat het gevolg is voor het recht op aftrek.
Dit thema beantwoordt:
- Wie kwalificeert als wederverkoper en bij welke leveranciers moet zijn ingekocht?
- Wanneer geldt de aanvullende margeregeling voor kunst, verzamelvoorwerpen en antiquiteiten?
- Hoe wordt de winstmarge vastgesteld: de individuele methode of de globalisatiemethode?
- Wat is het gevolg van de margeregeling voor het recht op aftrek van voorbelasting?
- Hoe werkt de margeregeling samen met de veilingregeling van art. 3 lid 5 Wet OB 1968?
Hoofdregel: heffing over de winstmarge
Levert een wederverkoper gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten, dan wordt de btw, in afwijking van de hoofdregel van art. 8 lid 1 Wet OB 1968, niet berekend over de volledige vergoeding maar over de winstmarge: het verschil tussen de vergoeding bij verkoop en hetgeen de wederverkoper zelf voor het goed heeft betaald of moet betalen (art. 28b lid 1 Wet OB 1968). De achtergrond is dat een wederverkoper die een gebruikt goed inkoopt van een particulier, of van een andere partij die geen btw in rekening kan brengen, geen aftrekbare voorbelasting in de inkoopprijs heeft zitten. Zonder de margeregeling zou over de volledige doorverkoopprijs opnieuw btw verschuldigd zijn, wat tot cumulatie van belasting zou leiden; door alleen de marge te belasten blijft de heffing beperkt tot de daadwerkelijk door de wederverkoper toegevoegde waarde. Het thema speelt vooral bij de handel in tweedehands auto's, kunst, antiek en verzamelobjecten, en bij veilinghuizen die dergelijke goederen namens particuliere verkopers veilen.
Wie kwalificeert: wederverkoper en de vijf leverancierscategorieën
De regeling geldt alleen voor een wederverkoper: een ondernemer die gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen of antiquiteiten inkoopt om ze door te verkopen. Toepassing is bovendien beperkt tot inkoop bij een van vijf, alternatieve leverancierscategorieën (art. 28b lid 2 Wet OB 1968): een particulier (niet-ondernemer); een ondernemer die bij zijn eigen levering de vrijstelling van art. 11 lid 1 onderdeel r toepaste; een ondernemer die de kleineondernemersvrijstelling toepast, mits het gaat om een in zijn bedrijf gebruikte roerende zaak waarop hij voor de inkomsten- of vennootschapsbelasting afschrijft of zou kunnen afschrijven; een andere wederverkoper die zelf al de margeregeling toepaste; of een ondernemer of wederverkoper uit een andere lidstaat bij een intracommunautaire levering als bedoeld in artikel 314, onder b, c of d, van de BTW-richtlijn 2006. Voor de derde categorie geldt de kleineondernemersvrijstelling tot een jaaromzet van € 20.000 in Nederland voor een hier gevestigde leverancier (art. 25a lid 1 Wet OB 1968), en tot € 100.000 jaaromzet in de Unie voor een leverancier die elders in de Unie is gevestigd (art. 25a lid 2 Wet OB 1968). Het gaat om vijf zelfstandige, alternatieve categorieën: voldoen aan één daarvan is voldoende. Ontbreekt elke onderbouwing dat de inkoop onder een van deze categorieën valt, dan is de margeregeling niet van toepassing en geldt de hoofdregel van art. 8 lid 1 Wet OB 1968: heffing over de volledige vergoeding, met het bijbehorende aftrekrecht. Dat risico is niet theoretisch: het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigde een naheffingsaanslag omzetbelasting wegens onterechte toepassing van de margeregeling op de handel in gebruikte auto's (ECLI:NL:GHARL:2025:1272). De kwalificatie als ondernemer, en daarmee als wederverkoper, is een zelfstandig aandachtspunt naast de vraag of de goederen zelf onder de regeling vallen; het Gerechtshof Amsterdam merkte een belanghebbende terecht aan als ondernemer voor de omzetbelasting en zag geen samenwerkingsverband in de vorm van een commanditaire vennootschap (ECLI:NL:GHAMS:2023:1427). Ook incidentele of eenmalige doorverkopen kunnen tot discussie leiden over de vraag of daarmee wederverkoperschap, en daarmee ondernemerschap voor de omzetbelasting, ontstaat; die kwalificatie staat los van de vraag of het verhandelde goed zelf onder de margeregeling valt. De regeling ziet bovendien alleen op goederen: de Rechtbank Gelderland oordeelde dat handel in digitale spelmunten een dienst is omdat spelmunten geen voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten zijn, zodat de margeregeling daarop niet van toepassing is (ECLI:NL:RBGEL:2022:3360).
Aanvullende margeregeling voor kunst, verzamelvoorwerpen en antiquiteiten
Voor kunstvoorwerpen, verzamelvoorwerpen en antiquiteiten die niet al onder het verlaagde tarief van post a-29 van Tabel I zijn geleverd, ingevoerd of intracommunautair verworven, kan de margeregeling op verzoek ook worden toegepast op inkoop bij de maker of diens rechtverkrijgende, bij een ondernemer die zelf geen wederverkoper is, of op door de wederverkoper zelf ingevoerde goederen (art. 28c lid 1 Wet OB 1968). Bij eigen invoer is de winstmarge dan het verschil tussen de vergoeding en de douanewaarde vermeerderd met de bij invoer verschuldigde omzetbelasting. De inspecteur beslist op dit verzoek bij een voor bezwaar vatbare beschikking; bij inwilliging geldt de regeling voor ten minste twee kalenderjaren, tot wederopzegging door de wederverkoper, en een hernieuwd verzoek na wederopzegging kan pas na een wachttermijn van twee jaren opnieuw worden ingewilligd (art. 28c lid 2 Wet OB 1968). Per 1 januari 2025 is deze aanvullende margeregeling beperkt: de keuzemogelijkheid om de regeling ook toe te passen op tegen het verlaagde tarief ingekochte of ingevoerde kunstvoorwerpen, verzamelvoorwerpen en antiquiteiten is vervallen. De aanvullende margeregeling blijft wel bruikbaar voor goederen die buiten het verlaagde tarief zijn ingekocht, bijvoorbeeld bij een kunstenaar die de kleineondernemersvrijstelling toepast en geen btw in rekening brengt. Voor het eerste belastingtijdvak van 2025 gold een overgangsregeling voor goederen waarop tot en met 31 december 2024 nog de oude regeling van toepassing was.
Kerncijfers
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Omzetgrens KOR-vrijstelling voor een in Nederland gevestigde leverancier (categorie 3) | € 20.000 jaaromzet in Nederland | art. 25a lid 1 Wet OB 1968 |
| Omzetgrens KOR-vrijstelling voor een in de Unie, niet in Nederland gevestigde leverancier | € 100.000 jaaromzet in de Unie | art. 25a lid 2 Wet OB 1968 |
| Minimale looptijd van een ingewilligde beschikking aanvullende margeregeling | ten minste 2 kalenderjaren | art. 28c lid 2 Wet OB 1968 |
| Wachttermijn voor een hernieuwd verzoek na wederopzegging | 2 jaren | art. 28c lid 2 Wet OB 1968 |
| Keuzemogelijkheid aanvullende margeregeling voor tegen het verlaagde tarief ingekochte/ingevoerde kunst e.d. | vervallen per 1 januari 2025 | art. 28c Wet OB 1968 |
(wettekst geldend per 2026)
Twee methoden om de marge vast te stellen
De hoofdregel is de individuele methode: de winstmarge wordt per geleverd goed bepaald aan de hand van de eigen inkoopprijs van dat specifieke goed (art. 28b lid 1 Wet OB 1968). Daarnaast bestaat de globalisatiemethode van art. 28d Wet OB 1968, waarbij de marge wordt vastgesteld per aangiftetijdvak over een verzameling goederen waarop hetzelfde tarief van toepassing is: het verschil tussen de som van de vergoedingen in dat tijdvak en de som van de inkopen in dat tijdvak. Dit is geen vrije keuze tussen twee gelijkwaardige methoden: de globalisatiemethode geldt alleen in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen (art. 28d lid 1); welke gevallen dat zijn, staat niet in de wet zelf. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op verzoeken die op grond van het eerste lid worden gedaan (art. 28d lid 2). In de administratie moet de inkoopprijs per goed, bij de individuele methode, of per tijdvak, bij de globalisatiemethode, traceerbaar zijn vastgelegd, zodat de winstmarge aantoonbaar is. Bij toepassing van de globalisatiemethode staat goed koopmansgebruik geen voorziening toe voor in de toekomst verschuldigde omzetbelasting, omdat die uitgaven hun oorsprong vinden in toekomstige verkopen (ECLI:NL:HR:2014:1184).
Aftrekuitsluiting
Tegenover de margeheffing staat dat de wederverkoper geen recht op aftrek heeft van de belasting die is begrepen in het door hemzelf in rekening gebrachte bedrag; bij toepassing van de aanvullende margeregeling van art. 28c geldt dat evenmin voor de belasting die hem bij de onderliggende levering of invoer in rekening is gebracht of die hij bij invoer verschuldigd is geworden (art. 28e Wet OB 1968). De margeregeling en het reguliere aftrekrecht sluiten elkaar op dat punt dus uit: de wederverkoper betaalt weliswaar minder btw, alleen over de marge, maar krijgt in ruil daarvoor geen voorbelasting terug.
Veilingregeling en de margeregeling
Voor de combinatie met veilinghuizen is ook art. 3 lid 5 Wet OB 1968 van belang: goederen die over een veiling worden verhandeld, worden voor de btw geacht aan en vervolgens door de houder van de veiling te zijn geleverd. Deze veilingfictie maakt het mogelijk dat een veilinghouder zelf als wederverkoper optreedt en de margeregeling toepast op goederen die namens particuliere verkopers worden geveild. De margeregeling op de onderliggende levering regelt echter niet automatisch ook de fiscale behandeling van de bijkomende geldstromen: de Hoge Raad oordeelde dat een veilinghouder die de veilingregeling combineert met de margeregeling, omzetbelasting verschuldigd is over zowel de opgelden als de van particuliere verkopers bedongen commissies (ECLI:NL:HR:2022:1867). Het Gerechtshof Amsterdam behandelde al eerder de daaraan voorafgaande vraag of over de (bruto)bedragen aan commissie die een veilinghouder bij uitbetaling van de hamerprijs aan de verkoper inhoudt, omzetbelasting verschuldigd is (ECLI:NL:GHAMS:2020:3545).
Aandachtspunten voor de praktijk
- Bij elke inkooptransactie moet aantoonbaar zijn dat de leverancier onder een van de vijf categorieën van art. 28b lid 2 Wet OB 1968 valt; het ontbreken van een sluitende onderbouwing vormt een naheffingsrisico.
- De globalisatiemethode is geen vrije keuze naast de individuele methode, maar alleen beschikbaar in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen.
- Bij veilinghuizen die de veilingregeling combineren met de margeregeling speelt afzonderlijk of over opgelden en commissies btw verschuldigd is.
- Bij inkoop van bedrijfsmiddelen van een kleineondernemer (categorie 3) is een zelfstandige voorwaarde dat het gaat om een roerende zaak waarop voor de inkomsten- of vennootschapsbelasting wordt of kan worden afgeschreven.
- Bij toepassing van de aanvullende margeregeling van art. 28c is de gebondenheid tweezijdig: de beschikking geldt voor ten minste twee kalenderjaren en kan na wederopzegging pas twee jaar later opnieuw worden aangevraagd.
- De margeregeling ziet alleen op goederen; bij digitale of andere niet-stoffelijke objecten is eerst de kwalificatie als goed of dienst aan de orde.
Recente ontwikkelingen
- 2022: de Hoge Raad oordeelt dat een veilinghouder die de veilingregeling van art. 3 lid 5 Wet OB 1968 combineert met de margeregeling, omzetbelasting verschuldigd is over zowel de opgelden als de van particuliere verkopers bedongen commissies (ECLI:NL:HR:2022:1867).
- 2023: het Gerechtshof Amsterdam bevestigt dat belanghebbende terecht als ondernemer voor de omzetbelasting is aangemerkt en dat geen sprake was van een samenwerkingsverband in de vorm van een commanditaire vennootschap (ECLI:NL:GHAMS:2023:1427).
- 2025: per 1 januari vervalt de keuzemogelijkheid om de aanvullende margeregeling van art. 28c Wet OB 1968 ook toe te passen op tegen het verlaagde tarief ingekochte of ingevoerde kunstvoorwerpen, verzamelvoorwerpen en antiquiteiten; voor het eerste tijdvak van 2025 gold een overgangsregeling.
- 2025: het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigt een naheffingsaanslag omzetbelasting wegens onterechte toepassing van de margeregeling op de handel in gebruikte auto's (ECLI:NL:GHARL:2025:1272).
Gerelateerde thema's
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
7 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2022:1867 (2022)
De Hoge Raad oordeelt dat een veilinghouder die de veilingregeling van artikel 3, lid 5, Wet OB 1968 combineert met de winstmargeregeling, omzetbelasting verschuldigd is over zowel de opgelden als de van particuliere verkopers bedongen commissies.
-
ECLI:NL:GHARL:2025:1272 (2025)
Het hof oordeelt dat het hoger beroep tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting wegens onterechte toepassing van de margeregeling op de handel in gebruikte auto's ongegrond is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
-
ECLI:NL:GHAMS:2020:3545 (2020)
De zaak betreft of over de (bruto)bedragen aan commissie die een veilinghouder bij uitbetaling van de hamerprijs aan de verkoper inhoudt, omzetbelasting verschuldigd is.
-
ECLI:NL:RBGEL:2022:3360 (2022)
Handel in digitale spelmunten is een dienst, omdat spelmunten geen voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten zijn; de vrijstelling voor financiële diensten geldt niet nu de munten niet als betaalmiddel worden aanvaard, en de margeregeling ziet alleen op goederen.
-
ECLI:NL:GHAMS:2023:1427 (2023)
Het Hof oordeelt dat belanghebbende terecht als ondernemer voor de omzetbelasting is aangemerkt en dat geen sprake is geweest van een samenwerkingsverband in de vorm van een commanditaire vennootschap.
-
ECLI:NL:HR:2017:45 (2017)
De Hoge Raad oordeelt dat voor de afschrijving bij bpm-heffing op een geïmporteerde gebruikte auto niet mag worden aangesloten bij een inkoopwaarde die niet is gebaseerd op de prijs die een wederverkoper aan een particulier betaalt, en dat middeling van inkoopwaarden daartoe evenmin is toegestaan wegens strijd met artikel 110 VWEU.
-
ECLI:NL:HR:2014:1184 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat goed koopmansgebruik niet toestaat om bij toepassing van de globalisatieregeling (art. 28d Wet OB) een voorziening te vormen voor in de toekomst verschuldigde omzetbelasting, omdat deze uitgaven hun oorsprong vinden in toekomstige verkopen.
Beleid en standpunten
1 bronnen in de kennisbank-
Besluit BWBR0039381
Beleid inzake samenloop van overdrachtsbelasting en omzetbelasting bij onroerendezaaktransacties, met goedkeuringen voor ongewenste dubbele heffing.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.