Btw
Herziening van voorbelasting
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
Herziening van voorbelasting is het correctiemechanisme in de omzetbelasting waarmee de aftrek van voorbelasting wordt bijgesteld zodra het feitelijke gebruik van een goed of dienst afwijkt van de bestemming die bij aanschaf gold. De aftrek op het moment van de factuur is onvermijdelijk een schatting: een ondernemer weet bij aanschaf van een pand of machine wel wát hij ermee wil gaan doen, maar niet altijd zeker of dat gebruik zich in de praktijk ook zo zal ontwikkelen. Herziening koppelt de uiteindelijke aftrek terug aan het werkelijke gebruik, in twee richtingen: te veel afgetrokken belasting wordt teruggevorderd, te weinig afgetrokken belasting wordt alsnog teruggegeven. Voor roerende investeringsgoederen geldt een herzieningsperiode van in totaal vijf jaar en voor onroerende zaken van tien jaar; sinds 1 januari 2026 geldt eenzelfde vijfjaarstermijn voor kostbare diensten aan onroerende zaken van ten minste € 30.000.
Dit thema beantwoordt:
- Welke goederen en diensten vallen onder het herzieningsregime en welke niet?
- Hoe werkt de keuze tussen de pro-rata-methode en de werkelijk-gebruik-methode bij gemengd gebruik?
- Wanneer vindt de eerste toets plaats en hoe verloopt de jaarlijkse herziening daarna?
- Wat gebeurt er bij verkoop van een investeringsgoed binnen de herzieningstermijn?
- Wanneer blijft herziening uitgezonderd, en hoe werkt de correctie bij privégebruik van bedrijfsvastgoed?
Grondgedachte en reikwijdte
Art. 15 Wet OB 1968 is het centrale artikel. Lid 1 koppelt de aftrek aan het gebruik voor belaste handelingen, niet aan het enkele bezit van een factuur: de ondernemer trekt de belasting af voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen. Lid 2 breidt die aftrek uit tot bepaalde buitenlandse of overigens vrijgestelde handelingen waarvoor bij een fictieve binnenlandse verrichting recht op aftrek zou bestaan; ook die uitgebreide aftrek valt onder de herziening van lid 4. Lid 4 bevat de kern van het herzieningsmechanisme: de aftrek vindt plaats overeenkomstig de bestemming op het moment van facturering of verschuldigdheid, en wijkt het gebruik bij ingebruikneming daarvan af, dan wordt de ondernemer de te veel afgetrokken belasting op dat tijdstip verschuldigd, terwijl te weinig afgetrokken belasting op zijn verzoek wordt teruggegeven. Dat dit mechanisme in de tijd mag doorwerken, stond niet zonder meer vast: de Hoge Raad heeft het Hof van Justitie EU gevraagd of de artikelen 184-187 BTW-richtlijn 2006 zich verzetten tegen eenmalige herziening van de aftrek bij ingebruikneming van een investeringsgoed, en zo ja, of artikel 189 van die richtlijn dat toestaat (ECLI:NL:HR:2018:2309).
Lid 6 draagt de nadere uitwerking van de herziening bij gemengd gebruik op aan ministeriële regeling, neergelegd in de artikelen 11 tot en met 14a Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (Uitv.besch. OB 1968). Binnen dat kader speelt herziening alleen bij goederen en diensten die de ondernemer afzonderlijk volgt: onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen, roerende zaken waarop voor de inkomsten- of vennootschapsbelasting wordt afgeschreven (of zou kunnen worden afgeschreven), en sinds 1 januari 2026 ook kostbare diensten aan onroerende zaken van ten minste € 30.000 per dienst (art. 13 lid 1 onderdeel c jo. lid 3 Uitv.besch. OB 1968). Zaken die niet worden geactiveerd, voorraad, of goederen van geringe aanschafwaarde die direct als kosten worden verantwoord, vallen buiten dit regime; daarvoor geldt uitsluitend de eenmalige aftrektoets bij aanschaf, zonder latere correctie.
Kerncijfers
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Herzieningsperiode onroerende zaken | 10 jaar (jaar van ingebruikneming + 9 boekjaren), 1/10e per boekjaar | art. 13 lid 1 onderdeel a Uitv.besch. OB 1968 |
| Herzieningsperiode roerende investeringsgoederen | 5 jaar, 1/5e per boekjaar | art. 13 lid 1 onderdeel b Uitv.besch. OB 1968 |
| Herzieningsperiode kostbare onroerendgoeddiensten (vanaf 1 januari 2026, drempel € 30.000 per dienst) | 5 jaar, 1/5e per boekjaar | art. 13 lid 1 onderdeel c jo. lid 3 Uitv.besch. OB 1968 |
| Drempel om herziening in een boekjaar achterwege te laten | minder dan 10% afwijking van de eerder gehanteerde verhouding | art. 13 lid 4 Uitv.besch. OB 1968 |
| Ondergrens bij herziening door in- of uittreden kleineondernemersregeling | achterwege bij een herzieningsbedrag onder € 500 per boekjaar | art. 13 Uitv.besch. OB 1968 jo. art. 25a/25c Wet OB 1968 |
(wettekst geldend per 2026)
Rekenmethoden bij gemengd gebruik
Het leerstuk raakt zowel ondernemers met volledig belaste prestaties als ondernemers met gemengd gebruik: bedrijfsmiddelen, onroerende zaken en andere goederen en diensten die zowel voor belaste als voor vrijgestelde of niet-bedrijfsmatige doeleinden worden ingezet, moeten voor de aftrek worden gesplitst. Het uitgangspunt is de pro-rata-methode: het aftrekbare deel wordt berekend naar de verhouding tussen de omzet uit belaste handelingen en de totale omzet uit belaste én vrijgestelde handelingen (art. 11 lid 1 onderdeel c Uitv.besch. OB 1968). Wijkt het werkelijke gebruik van die omzetverhouding af, dan moet, niet: mag, het aftrekbare deel op basis van het werkelijke gebruik worden berekend, mits dat werkelijke gebruik aannemelijk wordt gemaakt (lid 2). Voor goederen van dezelfde soort waarvan niet blijkt welke voor welk doel worden gebruikt, geldt daarbij een wettelijk bewijsvermoeden (lid 3). Voor een onroerende zaak met gemengd bedrijfs- en privégebruik is de werkelijk-gebruik-methode zelfs dwingend voorgeschreven; de omzetverhouding is daar geen keuzemogelijkheid (lid 4). De verkoopopbrengst van een bedrijfsmiddel dat de ondernemer zelf heeft gebruikt, telt niet mee in deze omzetbreuk: het afstoten van zo'n goed wordt niet als handeling voor de berekening aangemerkt (art. 14 Uitv.besch. OB 1968).
Die bewijslast weegt zwaar. Voor toepassing van de werkelijk-gebruik-maatstaf moet het werkelijke gebruik van het pand als geheel objectief en nauwkeurig worden vastgesteld, en niet gedeeltelijk op de omzetverhouding worden gebaseerd; ontbreekt dat bewijs, dan geldt de pro-rata-methode als terugvaloptie (ECLI:NL:HR:2014:9). In een latere zaak strandde het beroep op werkelijk gebruik omdat niet alle kosten van alle groepsvennootschappen waren meegenomen in de berekening, zodat de hoofdregel van pro rata naar omzetverhouding herleefde (ECLI:NL:HR:2022:1608). Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigde op vergelijkbare gronden een uitspraak over de aftrek van voorbelasting op geïntegreerde zonnepanelen en de toepassing van de pro-rataregel (ECLI:NL:GHARL:2023:8625).
Procedure: ingebruikneming, jaarlijkse herziening en levering
De eerste toets vindt plaats in het belastingtijdvak waarin de ondernemer het goed of de dienst is gaan gebruiken (art. 12 lid 2 Uitv.besch. OB 1968). Daarna loopt de jaarlijkse herziening automatisch mee in de reguliere btw-aangifte: bij de aangifte over het laatste belastingtijdvak van elk boekjaar van de herzieningsperiode wordt de aftrek herzien op basis van de voor dat hele boekjaar geldende gegevens (lid 3). Er is geen apart verzoek of aparte procedure nodig: herziening loopt mee in de periodieke aangifte. Herziening in een boekjaar blijft achterwege wanneer de afwijking tussen het werkelijke gebruik en de eerder gehanteerde verhouding minder dan 10% bedraagt (art. 13 lid 4 Uitv.besch. OB 1968). Ook bij overstap van of naar de kleineondernemersregeling wijzigt de bestemming van eerder aangeschafte investeringsgoederen; in die gevallen blijft herziening niettemin achterwege zolang het herzieningsbedrag in dat boekjaar minder dan € 500 bedraagt (art. 13 Uitv.besch. OB 1968 jo. art. 25a en 25c Wet OB 1968).
Wordt een investeringsgoed binnen de herzieningstermijn geleverd, dan wordt niet gewacht tot de resterende jaren: de nog openstaande herziening wordt in één keer afgerekend bij de aangifte over het tijdvak van de levering (art. 13a Uitv.besch. OB 1968). Daarbij wordt de ondernemer geacht het goed voor de rest van de termijn te zijn blijven gebruiken voor uitsluitend belaste handelingen, als over de levering belasting verschuldigd is of als de levering onder een vrijstelling met behoud van aftrekrecht valt, dan wel voor uitsluitend vrijgestelde handelingen in de overige gevallen. Voldoet de koper van een onroerende zaak niet aan de voorwaarde van belast gebruik, dan kan de inspecteur de als gevolg van de herziene aftrek onbetaald gebleven omzetbelasting op grond van art. 20 AWR naheffen bij de verkoper (ECLI:NL:HR:2022:301).
Een aparte lijn betreft de situatie waarin de aftrek niet tijdig overeenkomstig het voorgenomen gebruik is geëffectueerd. De Hoge Raad legde het Hof van Justitie de vraag voor of zo'n ondernemer de aftrek bij latere ingebruikneming alsnog via herziening kan realiseren als het gebruik dan niet afwijkt (ECLI:NL:HR:2021:455). Na het antwoord van het Hof van Justitie EU dat weigering van aftrek via herziening bij ingebruikneming ook zonder fraude of misbruik is toegestaan, bleef de naheffingsaanslag in de einduitspraak in stand; wegens een pleitbaar standpunt werd de boete verlaagd tot € 168 (ECLI:NL:HR:2022:1116).
Uitzonderingen en privégebruik
Herziening blijft achterwege in twee limitatief in de wet genoemde gevallen: bewezen vernietiging, verlies of diefstal van goederen, en onttrekkingen van goederen voor geschenken van geringe waarde en monsters (art. 15 lid 7 Wet OB 1968). Buiten deze twee gevallen blijft herziening bij een gewijzigd gebruik in beginsel gewoon aan de orde.
Bij privégebruik van bedrijfsmatig vastgoed door de ondernemer of het personeel loopt de correctie via een aftrekbeperking naar evenredigheid van het bedrijfsgebruik (art. 15 lid 1 Wet OB 1968); de gewone fictieve-dienstregeling voor privégebruik van roerende zaken (art. 4 lid 2 onderdeel a Wet OB 1968) geldt voor deze onroerendgoedsituatie uitdrukkelijk niet. Bij roerende investeringsgoederen loopt eenzelfde soort correctie voor privégebruik niet via een aftrekbeperking maar via een fictieve dienst met heffing over dat gebruik, zoals uitgewerkt in het thema BUA en privégebruik.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Bij levering van een onroerende zaak binnen de herzieningstermijn wordt de resterende herziening ineens afgerekend via art. 13a Uitv.besch. OB 1968; een afwijkend, niet-belast gebruik door de koper kan vervolgens leiden tot naheffing bij de verkoper op de voet van art. 20 AWR (ECLI:NL:HR:2022:301).
- Bij gemengd gebruik is de keuze tussen pro-rata en werkelijk gebruik geen vrije keuze: het werkelijke gebruik moet objectief en nauwkeurig worden aangetoond voor het pand als geheel (ECLI:NL:HR:2014:9); voor gemengd gebruikte onroerende zaken schrijft art. 11 lid 4 Uitv.besch. OB 1968 de werkelijk-gebruik-toets bovendien dwingend voor.
- De 10%-drempel van art. 13 lid 4 Uitv.besch. OB 1968 geldt per boekjaar per categorie; bij overstap van of naar de kleineondernemersregeling geldt daarnaast een aparte ondergrens van € 500 waaronder herziening achterwege blijft.
- De uitzonderingen van art. 15 lid 7 Wet OB 1968 zijn limitatief geformuleerd; buiten bewezen vernietiging, verlies of diefstal, en onttrekkingen voor geschenken van geringe waarde of monsters, blijft herziening bij gewijzigd gebruik gewoon aan de orde.
- Sinds 1 januari 2026 vallen ook kostbare diensten aan onroerende zaken van ten minste € 30.000 onder het regime, met dezelfde vijfjaarstermijn en 10%-drempel als roerende investeringsgoederen.
Recente ontwikkelingen
- 2014: de Hoge Raad oordeelt dat de werkelijk-gebruik-maatstaf bij herziening objectief en nauwkeurig moet worden onderbouwd voor het pand als geheel, met de pro-rata-methode als terugvaloptie bij ontbrekend bewijs (ECLI:NL:HR:2014:9).
- 2018: de Hoge Raad legt het Hof van Justitie EU de vraag voor of de artikelen 184-187 BTW-richtlijn 2006 zich verzetten tegen eenmalige herziening van de aftrek bij ingebruikneming van een investeringsgoed, en zo ja, of artikel 189 dat toestaat (ECLI:NL:HR:2018:2309).
- 2021: de Hoge Raad legt het Hof van Justitie de vraag voor of niet-tijdig geëffectueerde aftrek bij latere ingebruikneming alsnog via herziening kan worden gerealiseerd als het gebruik dan niet afwijkt (ECLI:NL:HR:2021:455).
- 2022 (25 februari): bij niet-belast gebruik door de koper van een onroerende zaak kan de inspecteur de onbetaald gebleven omzetbelasting op grond van art. 20 AWR naheffen bij de verkoper (ECLI:NL:HR:2022:301).
- 2022 (16 september): na het antwoord van het Hof van Justitie EU blijft de naheffingsaanslag uit de zaak van 2021 in stand; wegens een pleitbaar standpunt wordt de boete verlaagd tot € 168 (ECLI:NL:HR:2022:1116).
- 2022 (11 november): de Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond omdat bij de pro-rata-aftrek naar werkelijk gebruik niet alle kosten van alle groepsvennootschappen waren meegenomen, zodat de hoofdregel van pro rata naar omzetverhouding herleeft (ECLI:NL:HR:2022:1608).
- 2023 (10 oktober): het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigt de toepassing van de pro-rataregel bij de aftrek van voorbelasting op geïntegreerde zonnepanelen (ECLI:NL:GHARL:2023:8625).
- 2025 (22 april): het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelt naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2013, 2014, 2016 en 2017 met diverse correcties (ECLI:NL:GHARL:2025:2465).
- 2026: het herzieningsregime wordt uitgebreid naar kostbare diensten aan onroerende zaken van ten minste € 30.000, die net als roerende investeringsgoederen een termijn van vijf jaar volgen (art. 13 lid 1 onderdeel c jo. lid 3 Uitv.besch. OB 1968).
Gerelateerde thema's
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
101 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2018:2309 (2018)
De Hoge Raad verzoekt het Hof van Justitie EU om een prejudiciële beslissing of de artikelen 184-187 BTW-richtlijn 2006 zich verzetten tegen eenmalige herziening van de omzetbelastingaftrek voor een investeringsgoed bij ingebruikneming, en zo ja, of artikel 189 dat toestaat.
-
ECLI:NL:HR:2022:301 (2022)
De Hoge Raad oordeelt dat wanneer de koper van een onroerende zaak niet voldoet aan de voorwaarde van belast gebruik, de inspecteur de als gevolg van de herziene aftrek onbetaald gebleven omzetbelasting op grond van art. 20 AWR kan naheffen bij de verkoper.
-
ECLI:NL:HR:2021:455 (2021)
De Hoge Raad legt het Hof van Justitie de vraag voor of een ondernemer die de btw-aftrek niet tijdig heeft geëffectueerd overeenkomstig het voorgenomen gebruik, deze aftrek bij latere ingebruikneming alsnog via herziening kan realiseren als het gebruik dan niet afwijkt.
-
ECLI:NL:HR:2022:1116 (2022)
De Hoge Raad oordeelt, na het antwoord van het HvJ EU dat weigering van omzetbelastingaftrek via herziening bij ingebruikneming is toegestaan ook zonder fraude of misbruik, dat de naheffingsaanslag in stand blijft; wegens een pleitbaar standpunt wordt de boete verlaagd tot € 168.
-
ECLI:NL:GHAMS:2022:3823 (2022)
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat belanghebbende niet slaagt in het bewijs van het recht op aftrek van voorbelasting bij een naheffingsaanslag omzetbelasting en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
-
ECLI:NL:GHARL:2025:2465 (2025)
De zaak betreft naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2013, 2014, 2016 en 2017 met diverse correcties, waartegen belanghebbende en de inspecteur over en weer (incidenteel) hoger beroep hebben ingesteld.
-
ECLI:NL:GHAMS:2023:1418 (2023)
De zaak betreft of belanghebbende recht heeft op aftrek van voorbelasting op grond van artikel 15, lid 2, letter c, Wet OB, of op haar dienstverlening de vrijstelling van artikel 11, lid 1, letter i, onder 2, Wet OB van toepassing is, en of de inspecteur beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden.
-
ECLI:NL:GHARL:2023:8625 (2023)
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank en oordeelt dat het hoger beroep over de aftrek van voorbelasting op geïntegreerde zonnepanelen en de toepassing van de pro-rataregel ongegrond is.
-
ECLI:NL:HR:2022:1608 (2022)
De Hoge Raad verklaart het principale cassatieberoep gegrond: belanghebbende heeft bij de pro-rata-aftrek naar werkelijk gebruik niet alle kosten van alle groepsvennootschappen meegenomen, zodat de hoofdregel van pro rata naar omzetverhouding geldt.
-
ECLI:NL:HR:2014:9 (2014)
De Hoge Raad oordeelt dat voor toepassing van de maatstaf van het werkelijke gebruik bij herrekening van voorbelasting het werkelijke gebruik van het pand als geheel objectief en nauwkeurig moet worden vastgesteld, en niet gedeeltelijk op omzetverhouding mag worden gebaseerd; bij ontbrekend bewijs geldt de pro-rata-methode.
Beleid en standpunten
23 bronnen in de kennisbank- Kamerstuk 30804 nr. 3
-
Besluit BWBR0044485
Actualisering van beleid over aftrek van omzetbelasting, onder meer door verwerking van jurisprudentie en beleidsmatige wijzigingen. Met ingang van 1 januari 2014 is de term 'andere instellingen' in post 23 Bijlage B vervallen.
-
Besluit BWBR0039381
Beleid inzake samenloop van overdrachtsbelasting en omzetbelasting bij onroerendezaaktransacties, met goedkeuringen voor ongewenste dubbele heffing.
- Besluit BWBR0012969
- Kamerstuk 30804 nr. 9
- Kamerstuk 35026 nr. 14
- Kamerstuk 35026 nr. 13
-
Besluit BWBR0048018
Goedkeuring/beleid inzake winstbepaling totaalwinst. Dit besluit voegt vijf eerdere beleidsbesluiten samen en actualiseert het beleid naar aanleiding van wetwijzigingen.
-
Kamerstuk 34302 nr. 11
Procedureel stuk: nota naar aanleiding verslag Belastingplan 2016 (box 3, emigratielek, S&O-afdrachtvermindering, verhuurderheffing).
-
KG:052:2024:8 (2024)
Standpunt: Een levering van grond en nieuwbouw door onroerendezaakmaatschappij binnen twee jaar na aandeleninbreng leidt niet tot terugneming van samenloopvrijstelling. De levering in ongebruikte staat voldoet niet aan het 90%-criterium.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.