Btw
BUA en privégebruik
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
Het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting (BUA) en de regeling voor privégebruik van bedrijfsgoederen corrigeren btw-aftrek die anders terechtkomt op consumptief gebruik in plaats van op belaste bedrijfsprestaties. Het BUA sluit, voor de in artikel 16 Wet OB 1968 genoemde gevallen, de aftrek van voorbelasting bij voorbaat geheel of gedeeltelijk uit voor uitgaven die op naam van de onderneming worden gedaan. Artikel 4 Wet OB 1968 merkt daarnaast het gebruiken van bedrijfsgoederen voor privédoeleinden aan als fictieve dienst, zodat eerder wél genoten aftrek alsnog wordt gecorrigeerd op het moment van feitelijk privégebruik. Beide instrumenten sluiten op elkaar aan zonder te overlappen: voor de auto van de zaak geldt in de praktijk de fictieve-dienstregeling van artikel 4, omdat de terbeschikkingstelling van een auto uitdrukkelijk van het BUA is uitgezonderd; het BUA zelf grijpt aan bij relatiegeschenken, giften aan derden en verstrekkingen aan personeel.
Dit thema beantwoordt:
- Welke drie categorieën prestaties sluit artikel 1 BUA van aftrek uit, en welke verstrekkingen zijn daarvan weer uitgezonderd?
- Hoe werkt de €227-drempel voor relatiegeschenken en personeelsverstrekkingen, en waarom is het een alles-of-niets-drempel?
- Hoe corrigeert artikel 4 Wet OB 1968 het privégebruik van de auto van de zaak, en welk forfait geldt daarbij?
- Wanneer valt een verstrekking buiten het BUA of buiten de fictieve-dienstregeling van artikel 4?
- Hoe ver reikt het BUA-begrip "personeel" volgens de Hoge Raad?
Grondslag: een koninklijk besluit met eigen parlementaire waarborg
Het BUA zelf staat niet in de Wet OB, maar in een op artikel 16 Wet OB 1968 gebaseerd koninklijk besluit. Het eerste lid geeft de regering de bevoegdheid om bij koninklijk besluit de aftrek van artikel 15, eerste lid, geheel of gedeeltelijk uit te sluiten voor goederen en diensten die worden gebruikt voor het voeren van een zekere staat, voor het bevredigen van behoeften van anderen dan ondernemers, of ten behoeve van vrijgestelde prestaties als bedoeld in artikel 11 Wet OB 1968; deze drie categorieën staan naast elkaar in een "of"-opsomming, geen cumulatieve voorwaarde. Het tweede en derde lid voorzien in een parlementaire waarborg: na vaststelling van een koninklijk besluit op grond van het eerste lid moet onverwijld een goedkeuringswetsvoorstel naar de Tweede Kamer, en wordt het besluit ingetrokken als dat voorstel wordt ingetrokken of niet wordt aangenomen. Daardoor heeft het BUA, hoewel het qua vorm een koninklijk besluit is, in de praktijk dezelfde democratische legitimatie als een wet.
Welke prestaties vallen onder het BUA
Artikel 1, eerste lid, BUA sluit de aftrek uit voor drie categorieën. Onderdeel a betreft het voeren van een zekere staat: uitgaven met een uitgesproken representatief of luxueus karakter voor de ondernemer zelf. Onderdeel b betreft relatiegeschenken of andere giften: prestaties die de ondernemer vanwege zakelijke verhoudingen of uit vrijgevigheid om niet, of tegen een te lage vergoeding, aan een ander verricht, mits de begunstigde de btw daarover niet of hoofdzakelijk niet zou kunnen aftrekken. Onderdeel c betreft verstrekkingen aan personeel: huisvesting, loon in natura, gelegenheid tot sport of ontspanning, privévervoer of andere persoonlijke doeleinden. De terbeschikkingstelling van een auto is van onderdeel c uitdrukkelijk uitgezonderd; die loopt via artikel 4 Wet OB 1968.
Van onderdeel c zijn daarnaast vier verstrekkingen weer uitgezonderd. Spijzen en dranken aan personeel kennen in plaats van de gewone regeling een eigen correctie op grond van artikel 3 BUA (zie hieronder). Besloten personeelsvervoer op basis van een vergunning krachtens de Wet personenvervoer 2000, een fietsregeling die aan drie cumulatieve voorwaarden voldoet (een aanschafprijs van ten hoogste €749 inclusief btw, niet vaker dan eens per drie kalenderjaren verstrekt, en in de twee volgende jaren voor minder dan 50% van de reisdagen een andere vergoeding of ander vervoer geboden), en outplacement vallen geheel buiten het BUA.
Drempel: alles-of-niets, geen franchise
Voor relatiegeschenken en personeelsverstrekkingen samen (onderdeel b en c) geldt per begunstigde per boekjaar een drempel. Blijft het totaal van de aanschaffings- of voortbrengingskosten (exclusief btw) van alle verstrekkingen aan dezelfde persoon onder het drempelbedrag, dan blijft de aftrek volledig in stand. Wordt het drempelbedrag overschreden, dan vervalt de aftrek voor het gehele bedrag, niet alleen voor het deel boven de drempel: het is een alles-of-niets-drempel, geen franchise. Heeft de ondernemer voor de verstrekking een vergoeding in rekening gebracht waarover hij btw is verschuldigd, dan wordt de aftrek niet verder uitgesloten dan tot het bedrag van die verschuldigde belasting.
Spijzen en dranken aan personeel kennen een afwijkend mechanisme: de aftrek wordt uitgesloten tot 9% van het verschil tussen de kostprijs van de spijzen en dranken, verhoogd met 25%, en de vergoeding die de ondernemer daarvoor in rekening heeft gebracht (artikel 3 BUA). Dit verschil telt niet mee bij het bepalen of de drempel voor de overige personeelsverstrekkingen wordt overschreden.
Kerncijfers
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Relatiegeschenken en personeelsverstrekkingen (drempel, alles-of-niets) | € 227 per begunstigde per boekjaar | art. 4 lid 1 BUA |
| Spijzen en dranken aan personeel | 9% van (kostprijs + 25% opslag) minus in rekening gebrachte vergoeding | art. 3 BUA |
| Fietsregeling (buiten het BUA bij drie cumulatieve voorwaarden) | aanschafprijs ten hoogste € 749 incl. btw, niet vaker dan eens per drie kalenderjaren verstrekt | art. 1 lid 3 onderdeel c BUA |
| Forfait privégebruik auto | 2,7% van de catalogusprijs (incl. btw en bpm) per jaar | art. 4 lid 2 onderdeel a Wet OB 1968 jo. besluit Omzetbelasting, heffing privégebruik auto en toepassing BUA, paragraaf 2.2 |
| Verlaagd forfait (geen aftrek bij aanschaf, geen sluitende km-administratie, of na het vierde jaar volgend op ingebruikname) | 1,5% van de catalogusprijs per jaar | art. 4 lid 2 onderdeel a Wet OB 1968 jo. besluit Omzetbelasting, heffing privégebruik auto en toepassing BUA, paragraaf 2.7/2.7.1 |
(wettekst geldend per 2026)
Privégebruik van de auto: forfait via artikel 4 Wet OB 1968
Artikel 4, tweede lid, onderdeel a, Wet OB 1968 stelt met een dienst onder bezwarende titel gelijk het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed voor privédoeleinden van de ondernemer of van zijn personeel, of meer in het algemeen voor andere dan bedrijfsdoeleinden, wanneer voor dit goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan. De voorwaarde is tweeledig en cumulatief: privégebruik én een eerder ontstaan aftrekrecht. Voor de auto van de zaak geldt hierdoor in de praktijk een forfaitaire correctie, goedgekeurd bij besluit van de staatssecretaris: 2,7% van de catalogusprijs (inclusief btw en bpm) per jaar. Is de auto zonder recht op aftrek aangeschaft, ontbreekt een sluitende kilometeradministratie om het werkelijke privégebruik vast te stellen, of is het vierde jaar volgend op het jaar van ingebruikname verstreken, dan geldt in plaats daarvan een verlaagd forfait van 1,5%. Bij een gedeeltelijk aftrekgerechtigde ondernemer, bijvoorbeeld door vrijgestelde omzet, wordt het forfait evenredig verlaagd, bijvoorbeeld tot 1,35% bij 50% aftrekgerechtigdheid. Het forfait is bovendien nooit hoger dan het bedrag dat in dat jaar aan btw op de auto in aftrek is gebracht, vermeerderd, gedurende de herzieningsperiode, met een vijfde deel van de bij aanschaf in rekening gebrachte btw, en wordt naar tijdsgelang herrekend als de auto niet het volledige jaar mede voor privédoeleinden ter beschikking heeft gestaan. De correctie wordt eenmaal per jaar voldaan in de aangifte over het laatste belastingtijdvak van het boekjaar (artikel 13, vierde lid, Wet OB 1968).
Voor de omvang van het privégebruik zelf schrijft de wet geen vast percentage voor: de Hoge Raad oordeelde in 2017 dat die omvang met inachtneming van alle omstandigheden van het geval in redelijkheid moet worden bepaald, en dat een gerechtshof zijn oordeel daarover onvoldoende had gemotiveerd (ECLI:NL:HR:2017:711). In 2023 voegde de Hoge Raad daaraan toe dat woon-werkverkeer van werknemers voor de omzetbelasting privégebruik blijft, ook als werknemers deels thuiswerken, zolang zij op de betreffende dag daadwerkelijk op kantoor werken (ECLI:NL:HR:2023:1094).
Ook de rechtmatigheid van de correctie voor privégebruik van de auto is in het verleden herhaald getoetst. Onder de destijds geldende regeling oordeelde de Hoge Raad in 2010 dat de aftrekuitsluiting voor privégebruik van auto's door personeel niet in strijd was met de Zesde richtlijn (ECLI:NL:HR:2010:BN8055). In een andere zaak uit 2010 stond het rechtszekerheidsbeginsel eraan in de weg dat een verhoging van het toenmalige correctiepercentage al gold voor de eerste acht maanden van het jaar waarin het besluit tot die verhoging tot stand kwam (ECLI:NL:HR:2010:AZ8011). In 2013 oordeelde de Hoge Raad dat schending van het gelijkheidsbeginsel door destijds begunstigend beleid voor milieuvriendelijke auto's niet meebrengt dat een belastingplichtige met een niet-milieuvriendelijke auto zich op die begunstiging kan beroepen: de ongeoorloofde begunstiging moet worden gestaakt, niet uitgebreid (ECLI:NL:HR:2013:BX9444).
Reikwijdte: wat buiten het BUA en artikel 4 valt
Buiten het BUA valt een verstrekking waarvoor de ontvanger de btw, als die aan hem in rekening was gebracht, wél volledig had kunnen aftrekken. Ontbreekt voor een goed een aftrekrecht, bijvoorbeeld bij een onder de margeregeling aangeschafte auto, dan is de fictieve-dienstregeling van artikel 4 niet van toepassing omdat de cumulatieve voorwaarde van een eerder ontstaan aftrekrecht ontbreekt; de correctie loopt dan in plaats daarvan via een beperking van de aftrek op de gebruikskosten zelf.
Het BUA-begrip "personeel" is door de Hoge Raad beperkt uitgelegd. In 2011 oordeelde de Hoge Raad dat het begrip zich niet uitstrekt tot oud-werknemers met hun partners en kinderen, zodat verstrekking van vrijvervoerbewijzen aan hen niet als verstrekking aan personeel geldt en de aftrekbeperking in zoverre niet van toepassing is (ECLI:NL:HR:2011:BN7274). Voor wél bestaand personeel is de context van de verstrekking weer relevant: bij door een uitzendbureau verstrekte huisvesting oordeelde de Hoge Raad in 2020 dat van belang is of bijzondere omstandigheden het bedrijf dwongen in het buitenland te werven en of huisvesting in Nederland noodzakelijk is om deze arbeidskrachten te krijgen (ECLI:NL:HR:2020:1777).
Procedure: correctie via de aangifte
Voor het BUA bestaat geen afzonderlijke procedure: de ondernemer verwerkt de aftrekuitsluiting zelf in de btw-aangifte over het tijdvak waarin de kosten zijn gemaakt, of, bij het jaarlijkse totaaloverzicht per begunstigde, uiterlijk in de aangifte over het laatste tijdvak van het boekjaar. Voor de auto-forfaitregeling geldt hetzelfde ritme van jaarlijkse afrekening in het laatste tijdvak.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Bij de auto van de zaak vergt de vaststelling van de omvang van het privégebruik een feitelijke, per geval te motiveren beoordeling; een sluitende kilometeradministratie is in de praktijk het aangewezen bewijsmiddel om van het forfait af te wijken.
- Omdat de €227-drempel per begunstigde over het volledige boekjaar geldt, telt elke verstrekking aan dezelfde persoon mee: een relatiegeschenk in januari en een kerstpakket in december aan dezelfde relatie worden samen getoetst.
- Bij verstrekkingen aan oud-werknemers, partners of kinderen van personeel is van belang dat het BUA-begrip "personeel" beperkt is uitgelegd.
- Voor de fietsregeling gelden de aanschafprijs, de herhalingstermijn en de 50%-grens in de twee opvolgende jaren cumulatief; ontbreekt een van de voorwaarden, dan valt de verstrekking terug in de gewone personeelscategorie en telt zij mee voor de drempel.
- Verandert het gebruik van een auto, verstrekking of ander investeringsgoed na verwerving door de tijd heen, dan raakt dat ook aan herziening van voorbelasting.
Recente ontwikkelingen
- 2020: de staatssecretaris actualiseert het beleid over de heffing bij privégebruik van de auto en de toepassing van het BUA, met goedkeuring van de forfaitaire berekening (2,7%, respectievelijk 1,5% forfait) en verwerking van ECLI:NL:HR:2017:711 over de motivering van de omvang van het privégebruik.
- 2020-11-13: de Hoge Raad oordeelt dat bij door een uitzendbureau verstrekte huisvesting de wervingscontext bepalend is voor de vraag of het BUA-begrip "personeel" van toepassing is (ECLI:NL:HR:2020:1777).
- 2023-08-18: de Hoge Raad oordeelt dat woon-werkverkeer van werknemers voor de omzetbelasting privégebruik blijft, ook bij gedeeltelijk thuiswerken (ECLI:NL:HR:2023:1094).
Gerelateerde thema's
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
16 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2013:BX9444 (2013)
De Hoge Raad oordeelt dat schending van het gelijkheidsbeginsel door begunstigend beleid voor milieuvriendelijke auto's niet meebrengt dat een belastingplichtige met een niet-milieuvriendelijke auto zich op die begunstiging kan beroepen; de ongeoorloofde begunstiging moet worden gestaakt, niet uitgebreid.
-
ECLI:NL:HR:2023:1094 (2023)
De Hoge Raad oordeelt dat woon-werkverkeer van werknemers voor de omzetbelasting privégebruik blijft, ook al kunnen zij deels thuiswerken, zolang zij op de betreffende dag op kantoor werken; beide beroepen in cassatie worden ongegrond verklaard.
-
ECLI:NL:HR:2017:711 (2017)
De Hoge Raad oordeelt dat de omvang van het privégebruik van een auto van de werkgever met inachtneming van alle omstandigheden van het geval in redelijkheid moet worden bepaald, en dat het Hof zijn oordeel over de omvang van het privégebruik onvoldoende heeft gemotiveerd.
-
ECLI:NL:HR:2011:BN7274 (2011)
De Hoge Raad oordeelt dat het begrip 'personeel' in artikel 1, lid 1, letter c, BUA zich niet uitstrekt tot oud-werknemers met hun partners en kinderen, zodat verstrekking van vrijvervoerbewijzen aan hen niet als verstrekking aan personeel geldt en de aftrekbeperking in zoverre niet geldt.
-
ECLI:NL:HR:2010:AZ8011 (2010)
De Hoge Raad oordeelt dat het rechtszekerheidsbeginsel belet dat het besluit van 30 augustus 2002 de verhoging van de correctie voor privégebruik van auto's naar 25% van de waarde ook laat gelden voor de eerste acht maanden van 2002; het beroep is in zoverre gegrond.
-
ECLI:NL:GHAMS:2022:1656 (2022)
De zaak betreft of een BV de omzetbelasting kan aftrekken die vermeld staat op aan haar gerichte facturen voor juridische bijstand aan de CEO in een strafzaak.
-
ECLI:NL:HR:2010:BN8055 (2010)
De Hoge Raad oordeelt dat de aftrekuitsluiting voor privégebruik van auto's door personeel (art. 1, lid 1, letter c, BUA) niet in strijd is met de Zesde richtlijn, maar dat het Hof een ter zitting namens B afgelegde verklaring ten onrechte als verklaring van belanghebbende heeft opgevat; het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard en de zaak wordt verwezen.
-
ECLI:NL:HR:2020:1777 (2020)
De Hoge Raad oordeelt dat voor de toepassing van het BUA bij door een uitzendbureau verstrekte huisvesting relevant is of bijzondere omstandigheden het bedrijf dwongen in het buitenland te werven en of huisvesting in Nederland noodzakelijk is om deze arbeidskrachten te krijgen; het oordeel van het Hof dat dit niet aannemelijk was, is onbegrijpelijk nu de uitzendkrachten anders niet naar Nederland wilden komen.
-
ECLI:NL:GHAMS:2021:2744 (2021)
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat belanghebbende een dienst heeft afgenomen waarvoor zij een tegenprestatie heeft betaald, omdat zij (mede) voordeel heeft gehad bij de voorbereiding van de herfinancieringsoperatie van de groep.
-
ECLI:NL:RBGEL:2022:3360 (2022)
Handel in digitale spelmunten is een dienst, omdat spelmunten geen voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten zijn; de vrijstelling voor financiële diensten geldt niet nu de munten niet als betaalmiddel worden aanvaard, en de margeregeling ziet alleen op goederen.
Beleid en standpunten
7 bronnen in de kennisbank- Kamerstuk 30804 nr. 3
-
KG:210:2025:8 (2025)
Standpunt: Overdracht van aardgas ter omzetting en overdracht van gegenereerde elektriciteit onder een tollingovereenkomst vormen geen leveringen in de zin van artikel 3 Wet OB 1968.
-
Besluit BWBR0043783
Goedkeuring inzake omzetbelasting privégebruik auto: actualisering over bepaling btw voor privégebruik auto's, met goedkeuring forfaitaire berekening en verduidelijking gemaakte kosten en afschrijvingskosten.
- Kamerstuk 30804 nr. 31
- Kamerstuk 30804 nr. 9
-
Besluit BWBR0044602
Goedkeuring inzake omzetbelasting publiekrechtelijke lichamen: beleid over omzetbelasting en compensatie van omzetbelasting bij publiekrechtelijke lichamen, onder meer aangepast naar recente jurisprudentie en vervallen bepalingen.
- Kamerstuk 36202 nr. 3
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.