Btw

Plaats van dienst

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

De plaatsbepaling van een dienst is de sleutelvraag in de btw bij elke grensoverschrijdende of anderszins niet-vanzelfsprekende dienstverlening: welk land mag over de dienst heffen. Anders dan bij een levering van goederen, waarvoor onder meer het thema intracommunautaire transacties geldt, is er geen fysieke verplaatsing die de heffingsbevoegdheid bepaalt; de wet knoopt aan bij de hoedanigheid van de afnemer (ondernemer of niet) en, afhankelijk daarvan, bij de vestigingsplaats van de afnemer of van de dienstverrichter. De uitkomst van die toets beslist niet alleen welk land heft en tegen welk lokaal tarief, maar ook wie de verschuldigde btw moet voldoen: de dienstverrichter zelf, of de afnemer via de verleggingsregeling. De kernbegrippen zijn daarbij de kwalificatie van de afnemer als ondernemer of niet-ondernemer, de vestigingsplaats van beide partijen en het begrip vaste inrichting: een inrichting op een andere plaats dan de zetel die onder voorwaarden zelf als plaats van dienst geldt.

Dit thema beantwoordt:

  • Welke hoofdregel bepaalt de plaats van dienst bij een B2B- respectievelijk een B2C-dienst?
  • Wanneer verlegt een vaste inrichting de plaats van dienst naar een andere locatie dan de zetel van bedrijfsuitoefening?
  • Voor welke diensten geldt een bijzondere regeling in plaats van de hoofdregel van art. 6 Wet OB 1968?
  • Wanneer moet de afnemer in plaats van de dienstverrichter zelf de Nederlandse btw voldoen?
  • Hoe werkt de € 10.000-drempel voor kleine grensoverschrijdende dienstverrichters van telecommunicatie-, omroep- en elektronische diensten?

Hoofdregel: de kwalificatie van de afnemer bepaalt het aanknopingspunt

De eerste stap bij elke plaatsbepaling is vaststellen of de afnemer een als zodanig handelende ondernemer is (B2B) of niet (B2C, waaronder particulieren en niet-ondernemende rechtspersonen); die kwalificatie bepaalt welk lid van art. 6 Wet OB 1968 van toepassing is. Bij een dienst aan een ondernemer is de plaats van dienst de plaats waar de afnemer de zetel van zijn bedrijfsuitoefening heeft gevestigd (art. 6 lid 1 Wet OB 1968). Bij een dienst aan een niet-ondernemer is dat, omgekeerd, de zetel van bedrijfsuitoefening van de dienstverrichter (art. 6 lid 2 Wet OB 1968). Ontbreekt een dergelijke zetel, dan geldt in beide leden als subsidiair vangnet de woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats van de relevante partij; dat vangnet is alleen relevant bij het ontbreken van zowel een zetel als een vaste inrichting, niet als alternatief naast een reeds vastgestelde zetel of vaste inrichting.

Bij intragroepsdienstverlening is de vraag wie als afnemer kwalificeert soms zelf al beslissend, voordat aan plaatsbepaling wordt toegekomen. Bepalend is wie het voordeel van de dienst geniet, niet wie de kosten draagt of factureert: het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat een vennootschap wél een dienst had afgenomen waarvoor zij een tegenprestatie had betaald, omdat zij mede voordeel had gehad bij de voorbereiding van een herfinancieringsoperatie van de groep (ECLI:NL:GHAMS:2021:2744). In een latere zaak oordeelde hetzelfde hof, anders dan de rechtbank, dat een lichaam dat leningen aan haar dochter verstrekte geen ondernemer was en bovendien geen afnemer van de betrokken diensten, zodat de naheffingsaanslag omzetbelasting ten onrechte was opgelegd (ECLI:NL:GHAMS:2023:3182). Is de dienst op grond van de hoofdregel in Nederland belast en is de dienstverrichter niet in Nederland gevestigd, dan voldoet de afnemer in plaats van de dienstverrichter zelf de Nederlandse btw via de verleggingsregeling; is de dienstverrichter wel in Nederland gevestigd, dan brengt hij de Nederlandse btw zelf in rekening.

Vaste inrichting: wanneer verlegt de plaats van dienst

Een vaste inrichting is een inrichting van een hoofdhuis dat in een ander land is gevestigd, met een voldoende mate van duurzaamheid en een, wat personeel en technische middelen betreft, geschikte structuur om zelfstandig prestaties aan derden te verrichten. Een kantoor, fabriek, werkplaats of verkoopruimte die aan die eisen voldoet, telt mee; een ruimte die alleen voor reclame, het verstrekken of inwinnen van inlichtingen, testen of onderzoek wordt gebruikt telt niet mee, evenmin als een goederendepot zonder geschikte personele en technische structuur of een inrichting die alleen administratieve ondersteuning aan het hoofdhuis verleent. Een juridisch zelfstandige dochtermaatschappij is als regel geen vaste inrichting van de moedermaatschappij. Wordt een B2B-dienst verricht voor een vaste inrichting van de afnemer op een andere plaats dan diens zetel, dan geldt die vaste inrichting als plaats van dienst (art. 6 lid 1 Wet OB 1968); bij een B2C-dienst geldt hetzelfde aan de kant van de dienstverrichter (art. 6 lid 2). Het begrip vaste inrichting kan de plaats van dienst dus verleggen naar een andere locatie dan de hoofdzetel, afhankelijk van de kwalificatie van de afnemer aan de kant van de afnemer dan wel aan de kant van de dienstverrichter.

Voor de btw vormen vaste inrichting en hoofdhuis samen één ondernemer; er vinden in beginsel geen belastbare prestaties tussen hen plaats. Dat uitgangspunt wijkt af wanneer een van beide onderdeel is van een fiscale eenheid in een lidstaat, omdat een fiscale eenheid territoriaal is begrensd tot ondernemers en vaste inrichtingen binnen die ene lidstaat: prestaties tussen een tot een fiscale eenheid behorend hoofdhuis of vaste inrichting en een in een andere lidstaat gevestigde vaste inrichting of hoofdhuis zijn daardoor wél belast. Naast deze reguliere vaste inrichting, die voor de gehele btw-regelgeving relevant is, bestaat de zogenoemde inkoop-vaste inrichting, die alleen van belang is voor de vraag of bij een B2B-dienst de heffing wordt verlegd naar die inrichting; beide typen worden voor registratiedoeleinden apart behandeld, de reguliere vaste inrichting bij de lokale competente inspecteur en de inkoop-vaste inrichting bij Belastingdienst Buitenland/Heerlen. De kwalificatie als vaste inrichting heeft dus gevolgen niet alleen voor de plaatsbepaling zelf, maar ook voor de registratie, de btw-aftrek en de aangifte van de betrokken onderneming. Of tussen groepsvennootschappen organisatorische verwevenheid bestaat voor een fiscale eenheid omzetbelasting en wat de plaats van dienst is van de tussen hen verrichte diensten, worden in de praktijk gezamenlijk beoordeeld: het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden deed dat in één en dezelfde procedure (ECLI:NL:GHARL:2024:230).

Kerncijfers

ElementWaardeGrondslag
Hoofdregel B2B (dienst aan ondernemer)zetel van bedrijfsuitoefening van de afnemerart. 6 lid 1 Wet OB 1968
Hoofdregel B2C (dienst aan niet-ondernemer)zetel van bedrijfsuitoefening van de dienstverrichterart. 6 lid 2 Wet OB 1968
Drempel telecommunicatie-, omroep- en elektronische diensten en bepaalde afstandsverkopen€ 10.000 (lopend en voorafgaand kalenderjaar samen)art. 6k Wet OB 1968
Minimale geldingsduur na melding van een keuze voor toepassing van art. 6h2 kalenderjarenart. 6k Wet OB 1968
Grens kortdurende verhuur vervoermiddel (schepen: 90 dagen)30 dagenart. 6g lid 1 en 4 Wet OB 1968

(wettekst geldend per 2026)

Bijzondere regelingen: wanneer wijkt de wet af van de hoofdregel

Voor een aantal diensten wijkt de wet af van de hoofdregel van art. 6 Wet OB 1968, omdat aanknoping bij de vestigingsplaats van afnemer of dienstverrichter voor die diensten niet aansluit bij waar zij feitelijk worden genoten. De bijzondere regelingen van art. 6a tot en met 6k Wet OB 1968 vormen een gesloten stelsel: zij zijn dekkend voor de daarin genoemde categorieën, en buiten die categorieën blijft de hoofdregel van art. 6 leden 1 en 2 van toepassing. Onroerendgoeddiensten volgen daarbij de ligging van de zaak, wat aansluit bij het onroerendgoedregime in de btw; vervoer en evenementen volgen de fysieke plaats van uitvoering, met een uitdrukkelijke terugval naar de gewone vestigingsplaats-aanknoping bij virtuele of gestreamde deelname; en telecommunicatie-, omroep- en elektronische diensten en de opsomming van art. 6i volgen de vestigingsplaats van de niet-ondernemende afnemer. Voor een tussenpersoon die in naam en voor rekening van een derde optreedt richting een niet-ondernemer geldt niet de vestigingsplaats van die tussenpersoon zelf, maar de plaats van de onderliggende handeling waarbij wordt bemiddeld (art. 6a Wet OB 1968).

DienstVoor wiePlaats van dienstGrondslag
Onroerende zaken (incl. hotelaccommodatie, bouwbegeleiding, makelaars)B2B en B2CPlaats waar de onroerende zaak is gelegenArt. 6b Wet OB 1968
Personenvervoer en goederenvervoer (niet-intracommunautair resp. intracommunautair)B2CPlaats waar het vervoer plaatsvindt, resp. plaats van vertrek bij intracommunautair goederenvervoerArt. 6c Wet OB 1968
Toegang tot en organisatie van culturele, sportieve en soortgelijke evenementen (fysiek)B2B (toegang) resp. B2CPlaats waar het evenement plaatsvindtArt. 6d en art. 6e lid 1 Wet OB 1968
Dezelfde activiteiten, virtueel gestreamdB2B en B2CVestigingsplaats van de dienstverrichter (B2B) resp. van de afnemer (B2C)Art. 6d en art. 6e lid 1 Wet OB 1968 (uitzondering)
Restaurant- en cateringdienstenB2B en B2CPlaats waar materieel verrichtArt. 6f Wet OB 1968
Verhuur vervoermiddelB2B en B2C (kortdurend) resp. B2C (overig)Plaats van terbeschikkingstelling (kortdurend) resp. vestigingsplaats van de afnemer (overig)Art. 6g Wet OB 1968
Telecommunicatie-, omroep- en elektronische dienstenB2CVestigingsplaats of woonplaats van de afnemerArt. 6h Wet OB 1968
Advies-, juridische, financiële en aanverwante diensten aan een afnemer buiten de EUB2CVestigingsplaats of woonplaats van de afnemerArt. 6i Wet OB 1968

Bij verhuur van een vervoermiddel is de grens tussen kortdurende en overige verhuur scherp: binnen dertig dagen, bij een schip binnen negentig dagen, geldt de plaats waar het vervoermiddel ter beschikking wordt gesteld (art. 6g lid 1 en 4 Wet OB 1968); daarbuiten geldt bij een B2C-afnemer diens vestigingsplaats (art. 6g lid 2). Art. 6j Wet OB 1968 bevat daarnaast een anti-misbruikbepaling: diensten die naar de letter van de wet buiten de Unie plaatsvinden, worden toch in Nederland geacht plaats te vinden wanneer het werkelijke gebruik en de werkelijke exploitatie in Nederland liggen. Art. 6k regelt, naast de in de Kerncijfers genoemde drempel van € 10.000, dat een dienstverrichter die in slechts één EU-lidstaat is gevestigd zolang hij onder die drempel blijft de hoofdregel van vestiging van de dienstverrichter mag blijven toepassen in plaats van art. 6h; boven de drempel, of bij een vrijwillige keuze voor toepassing van art. 6h, geldt de plaats van de afnemer; die keuze wordt bij de inspecteur gemeld en geldt dan ten minste twee kalenderjaren. Voor de plaatsbepaling zelf bestaat geen aparte aanvraagprocedure: dienstverrichter en afnemer passen de regels toe bij het opmaken van de factuur en de aangifte.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Bij intragroepsdienstverlening is beslissend wie het voordeel van de dienst geniet en dus als afnemer kwalificeert, niet wie de kosten draagt of factureert; ECLI:NL:GHAMS:2021:2744 en ECLI:NL:GHAMS:2023:3182 laten tegengestelde uitkomsten zien op dit punt.
  • De vaste-inrichtingtoets moet apart worden doorlopen aan de kant van de afnemer (art. 6 lid 1 Wet OB 1968) en aan de kant van de dienstverrichter (art. 6 lid 2): een louter administratieve of reclamegerelateerde ruimte en een goederendepot zonder geschikte personele en technische structuur tellen niet mee.
  • Alleen de reguliere vaste inrichting is voor de gehele btw-regelgeving relevant; de inkoop-vaste inrichting speelt uitsluitend bij de verlegging van B2B-diensten.
  • Bij virtuele deelname aan evenementen (streaming) geldt niet de locatie van het evenement maar de gewone vestigingsplaats-aanknoping, wat afwijkt van fysieke aanwezigheid.
  • De € 10.000-drempel van art. 6k geldt alleen voor dienstverrichters die in slechts één lidstaat zijn gevestigd; bij vestiging in meerdere lidstaten geldt direct de plaats van de afnemer.
  • Een fiscale eenheid omzetbelasting is territoriaal begrensd tot ondernemers en vaste inrichtingen binnen één lidstaat; prestaties tussen een daartoe behorend hoofdhuis of vaste inrichting en een in een andere lidstaat gevestigde vaste inrichting respectievelijk hoofdhuis zijn daardoor wél belast.

Recente ontwikkelingen

  • 2021: het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat bij intragroepskosten bepalend is wie het voordeel van de dienst geniet, niet wie de kosten draagt, bij de beoordeling van een herfinancieringsoperatie (ECLI:NL:GHAMS:2021:2744).
  • 2022: het besluit Omzetbelasting, vaste inrichting wordt gewijzigd bij besluit van 1 juli 2022, nr. 2022-13545, Stcrt. 2022, 16197, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 maart 2021, zaak C-812/19 (Danske Bank), over de territoriale begrenzing van de fiscale eenheid ten opzichte van een buitenlandse vaste inrichting of hoofdhuis.
  • 2023: het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat een lichaam dat leningen aan haar dochter verstrekte geen ondernemer en geen afnemer van de betrokken diensten was, zodat de naheffingsaanslag omzetbelasting ten onrechte was opgelegd (ECLI:NL:GHAMS:2023:3182).
  • 2024: het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beoordeelt in dezelfde procedure zowel de organisatorische verwevenheid voor een fiscale eenheid omzetbelasting als de plaats van dienst van de verrichte diensten (ECLI:NL:GHARL:2024:230).
  • 2025: het Gerechtshof Amsterdam oordeelt over de vraag of naheffingsaanslagen omzetbelasting moeten worden vernietigd omdat aan belanghebbende ten onrechte een btw-identificatienummer zou zijn uitgereikt, in een geschil over de btw-behandeling van grensoverschrijdende dienstverlening (ECLI:NL:GHAMS:2025:1353).

Gerelateerde thema's

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Alle bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.