Btw

Verleggingsregelingen in de btw

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

De hoofdregel van de omzetbelasting is dat de presterende ondernemer de btw afdraagt (art. 12 lid 1 Wet OB 1968). Verlegging draait die volgorde om: niet de ondernemer die de levering of de dienst verricht, maar de afnemer wordt aangewezen als degene die de verschuldigde btw moet aangeven. De prestatieverrichter brengt geen btw in rekening en vermeldt op de factuur dat de heffing is verlegd; de afnemer neemt de verschuldigde btw op in zijn eigen aangifte en trekt deze, voor zover hij daartoe gerechtigd is volgens de regels van aftrek van voorbelasting, tegelijkertijd weer af. Per saldo verschuift daarmee alleen de administratieve verplichting, niet de belastingdruk zelf. De regeling vervult vooral een controlefunctie: waar de heffing bij de presterende ondernemer moeilijk te innen is, verlegt de wet het aangifte- en betaalmoment naar de afnemer, die doorgaans beter grijpbaar is voor de Belastingdienst.

Dit thema beantwoordt:

  • Wanneer draagt de afnemer in plaats van de leverancier de btw af?
  • Welke grensoverschrijdende situaties vallen onder art. 12 leden 2 tot en met 4 Wet OB 1968?
  • Welke sectorale gevallen zijn aangewezen bij het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968?
  • Wat zijn de gevolgen voor factuur, aangifte en aftrek bij toepassing van verlegging?
  • Wanneer is de afnemer bij sectorale verlegging voldoende identificeerbaar en kwalificeert hij als afnemer van de concrete prestatie?

Twee lagen: grensoverschrijdend en sectoraal

Lid 1 van art. 12 Wet OB 1968 stelt de hoofdregel: de belasting wordt geheven van de ondernemer die de levering of de dienst verricht. Alle verlegging is hierop een uitzondering, en volgt uit twee lagen regelgeving. De eerste is de wettelijke hoofdregel voor buitenlandse ondernemers (art. 12 leden 2 tot en met 4 Wet OB 1968): de presterende ondernemer is niet in Nederland gevestigd en heeft daar geen bij de prestatie betrokken vaste inrichting. De tweede is een reeks specifieke, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen sectoren en transacties (art. 12 lid 5), zoals onderaanneming in de bouw, edelmetaal en afvalstoffen. Bij de bouwsector-aanwijzing raakt dit aan de keten- en inlenersaansprakelijkheid van de inlener of hoofdaannemer voor onbetaalde heffingen van de uitlener of onderaannemer; bij de grensoverschrijdende gevallen raakt het aan de bredere regels over plaats van dienst en intracommunautaire transacties, die bepalen waar een prestatie voor de btw wordt geacht plaats te vinden. Een afzonderlijke route voor de verschuldigdheid bij invoer biedt de vergunning van art. 23 Wet OB 1968, waarbij de belasting verschuldigd blijft op het moment van invoer maar op aangifte wordt voldaan in plaats van bij invoer zelf: zie invoer via artikel 23. Voor de praktijk is verlegging vooral een kwalificatievraagstuk: is de tegenpartij de aangewezen afnemer van de prestatie, en valt de concrete transactie onder een van de aangewezen gevallen; onduidelijkheid hierover leidt tot naheffingsrisico's bij zowel de presterende ondernemer als de afnemer.

Grensoverschrijdende verlegging: drie gevallen (art. 12 leden 2-4)

Lid 2 verlegt de heffing naar de afnemer wanneer de presterende ondernemer niet in Nederland woont of is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft van waaruit de levering wordt verricht of de dienst wordt verleend, en aan de afnemer een btw-identificatienummer in Nederland is toegekend; dit geldt voor leveringen als bedoeld in artikel 5b en voor diensten als bedoeld in artikel 6 lid 1 Wet OB 1968. Lid 3 breidt dit uit naar overige leveringen, met uitzondering van de levering waarop tabel II onderdeel a post 6 van toepassing is, en overige diensten: hier verlegt de heffing als de niet in Nederland gevestigde presterende ondernemer geen betrokken vaste inrichting heeft en de afnemer een ondernemer is die in Nederland woont of is gevestigd dan wel daar een vaste inrichting heeft, of een in Nederland gevestigd lichaam is in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Waar lid 2 verlegt op basis van een Nederlands btw-identificatienummer bij de afnemer, vraagt lid 3 dus om feitelijke vestiging van die afnemer of een lichaam naar Nederlands recht. Lid 4 bevat een fictiebepaling die voorkomt dat een buitenlandse ondernemer aan verlegging ontsnapt enkel omdat hij ergens in Nederland een vaste inrichting heeft: hij wordt toch geacht een niet in Nederland gevestigde ondernemer te zijn, mits hij in Nederland een belastbare goederenlevering of dienst verricht waarbij die Nederlandse vaste inrichting niet betrokken is. De toets is dus steeds transactiespecifiek: dezelfde ondernemer kan voor de ene levering wel en voor de andere niet onder verlegging vallen.

Sectorale verlegging: aanwijzing bij algemene maatregel van bestuur

Lid 5 van art. 12 Wet OB 1968 noemt zelf geen sectoren; het is de grondslag om bij lagere regelgeving, "ten einde voor de inning daarvan meer waarborgen te scheppen", gevallen aan te wijzen waarin de belasting van de afnemer wordt geheven. Die aanwijzing staat in het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. Art. 24b wijst onderaanneming en personeel in de bouw aan. Een aannemer is degene die zich jegens een ander, de opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking tegen een te betalen prijs een werk van stoffelijke aard uit te voeren dat betrekking heeft op onroerende zaken of schepen; een onderaannemer verbindt zich op dezelfde wijze jegens een aannemer om dat werk geheel of gedeeltelijk uit te voeren, of stelt met behoud van dienstbetrekking een werknemer ter beschikking van een derde bij zo'n werk. Een onderaannemer wordt ten opzichte van zijn eigen onderaannemer weer als aannemer beschouwd, zodat de verlegging bij meerdere lagen onderaanneming intact blijft. Art. 24ba wijst onder meer aan: een geoptioneerde belaste levering van onroerend goed, goud en halffabrikaat met een zuiverheid van ten minste 325/1000, beleggingsgoud met keuzerecht, broeikasgasemissierechten, gas- en elektriciteitscertificaten, bepaalde telecommunicatiediensten tussen in Nederland gevestigde ondernemers, mobiele telefoons, chips, spelcomputers, tablets en laptops vanaf € 10.000 per levering per soort goed, en de executie van in zekerheid gegeven zaken; die laatste categorie kan volgens de Hoge Raad ook verlegd plaatsvinden bij een onderhandse verkoop waarmee de hypotheeknemer heeft ingestemd, mits de schuldenaar in verzuim en de hypotheeknemer bevoegd tot parate executie was, waarbij wie zich hierop beroept dit moet stellen en bij betwisting bewijzen (ECLI:NL:HR:2018:1032). Art. 24bb wijst de levering van oude materialen, industrieel en niet-industrieel afval, schroot, resten van ferro- en non-ferrometalen, papier, karton, glas, rubber en kunststof aan, met de bijbehorende verwerkingsdiensten.

Kerncijfers

ElementWaardeGrondslag
Grensoverschrijdende verleggingsgevallen3 (leden 2, 3 en 4)art. 12 leden 2-4 Wet OB 1968
Drempel elektronica-aanwijzing (mobiele telefoons, chips, spelcomputers, tablets, laptops)€ 10.000 per levering per soort goedart. 24ba Uitvoeringsbesluit OB 1968
Minimale zuiverheid goud/halffabrikaat (edelmetaal-aanwijzing)ten minste 325/1000art. 24ba Uitvoeringsbesluit OB 1968

(wettekst geldend per 2026)

Gevolg van toepassing: factuur en aangifte

Wie onder een aangewezen geval valt, moet het verschil in behandeling tussen leverancier en afnemer consequent doorvoeren. De presterende ondernemer berekent geen btw en vermeldt op de factuur dat de heffing is verlegd; bij toepassing van art. 24b lid 5 Uitvoeringsbesluit OB 1968 schrijft het uitvoeringsbesluit daarvoor letterlijk de vermelding "btw verlegd" voor, met inachtneming van de algemene factuurvereisten. De afnemer geeft de verschuldigde btw aan in zijn eigen aangifte en trekt deze, voor zover hij ondernemer is met recht op aftrek, in dezelfde aangifte weer af. Bij een onderaannemer die een bouwwerk uitvoert, verantwoordt zo niet de onderaannemer maar de hoofdaannemer de btw over de aanneemsom in zijn eigen aangifte. Bij een volledig aftrekgerechtigde afnemer is verlegging per saldo een boekhoudkundige mutatie zonder kaseffect; bij een afnemer met beperkt aftrekrecht, zoals bij vrijgestelde prestaties, ontstaat wel een reële afdrachtverplichting.

Uitzonderingen binnen de sectorale aanwijzingen

De aanwijzing in de bouwsector kent twee uitzonderingen: verlegging blijft achterwege als het werk geheel of grotendeels wordt verricht op de vestigingsplaats van de onderaannemer zelf, en als de uitvoering van het werk ondergeschikt is aan een tussen partijen gesloten koopovereenkomst van een bestaande zaak. Bij afvalstoffen geldt de aanwijzing niet wanneer de levering plaatsvindt door een wederverkoper die de margeregeling van art. 28b Wet OB 1968 toepast. Bij de elektronica-aanwijzing werkt de drempel van € 10.000 per levering per soort goed; een reeks kleinere leveringen van hetzelfde goed aan dezelfde ondernemer die gezamenlijk de drempel overschrijden, valt buiten de tekst van de bepaling volgens de letterlijke drempelformulering. Buiten deze uitzonderingen kan de reikwijdte van een aanwijzing zelf nog onderwerp van geschil zijn: bij de Hoge Raad ligt sinds eind 2025 de vraag voor of een vergoeding die een gemeente uit een afvalfonds ontvangt voor gescheiden inzameling en rapportage van verpakkingsafval is belast met omzetbelasting en of daarop de sectorale verlegging voor afvalstoffen van toepassing is (ECLI:NL:PHR:2025:1174, ECLI:NL:PHR:2025:1175 en ECLI:NL:PHR:2025:1176).

Identificeerbaarheid en kwalificatie van de afnemer

Sectorale verlegging op grond van art. 12 lid 5 Wet OB 1968 geldt alleen als de Belastingdienst kan vaststellen wie de afnemer is; bleef die identiteit onbekend, dan hield een naheffingsaanslag stand (ECLI:NL:HR:2023:691). Vaststelbaarheid van de afnemer is dus een zelfstandige toepassingsvoorwaarde naast de materiële aanwijzing van het geval zelf. Daarnaast moet de tegenpartij werkelijk ondernemer en afnemer van de concrete prestatie zijn: het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat een belanghebbende die aan haar dochter leningen had verstrekt, geen ondernemer en geen afnemer van de betrokken diensten was, zodat de naheffingsaanslag omzetbelasting ten onrechte was opgelegd (ECLI:NL:GHAMS:2023:3182). Een financiële relatie tussen partijen levert dus op zichzelf geen afnemerschap van een specifieke prestatie op. Beide arresten wijzen op hetzelfde praktische aandachtspunt: wie zich op verlegging beroept of deze betwist, moet bij het aangaan van de overeenkomst kunnen onderbouwen wie de afnemer is en in welke hoedanigheid deze de prestatie afneemt.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Bij sectorale verlegging op grond van lid 5 is van belang of de identiteit van de afnemer voor de Belastingdienst vaststelbaar is; in ECLI:NL:HR:2023:691 bleef de naheffingsaanslag in stand omdat die identiteit onbekend bleef.
  • Van belang is of de tegenpartij werkelijk ondernemer en afnemer van de concrete prestatie is, niet uitsluitend op basis van een financiële relatie zoals een lening (ECLI:NL:GHAMS:2023:3182).
  • Bij grensoverschrijdende prestaties is van belang of de presterende ondernemer een vaste inrichting in Nederland heeft die daadwerkelijk bij de prestatie betrokken is; die betrokkenheid wordt per transactie beoordeeld, niet per ondernemer als geheel.
  • Bij de bouwsector-aanwijzing bepalen de vestigingsplaats van het werk en de aard van de onderliggende overeenkomst mee of verlegging optreedt.
  • Bij executie- en zekerheidssituaties is de bewijslastverdeling van belang: wie zich op verlegging beroept, moet verzuim en bevoegdheid tot parate executie stellen en bij betwisting bewijzen.
  • Bij de afvalstoffenaanwijzing speelt de precieze afbakening van "afval" een rol die, blijkens de lopende afvalfonds-zaken bij de Hoge Raad, ook voor een ingeburgerde sector onderwerp van geschil kan blijven.

Recente ontwikkelingen

  • 2023: de Hoge Raad oordeelt dat de sectorale verleggingsregeling van art. 12 lid 5 Wet OB 1968 alleen geldt als de Belastingdienst kan vaststellen wie de afnemer is (ECLI:NL:HR:2023:691, 12 mei 2023).
  • 2023: het Gerechtshof Amsterdam beoordeelt of de verleggingsregeling geldt voor personeel dat is uitgeleend voor werkzaamheden van stoffelijke aard aan onroerende zaken, en of een beroep op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel slaagt (ECLI:NL:GHAMS:2023:3180, 28 november 2023).
  • 2023: het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat een belanghebbende die leningen aan haar dochter verstrekte geen ondernemer en geen afnemer van de betrokken diensten was, zodat de naheffingsaanslag omzetbelasting ten onrechte was opgelegd (ECLI:NL:GHAMS:2023:3182, 12 december 2023).
  • 2024: het Gerechtshof Amsterdam behandelt naheffingsaanslagen omzetbelasting 2015-2018 bij een gemeente die uitvoering geeft aan de raamovereenkomst voor afvalinzameling en -scheiding, waarbij ondernemerschap en de toepassing van de verleggingsregeling voor de afvalverwerkingsdienst aan de orde zijn (ECLI:NL:GHAMS:2024:2350, 15 augustus 2024).
  • 2025: de Belastingdienst kennisgroep concludeert dat de verleggingsregeling kan gelden voor facilitering van een veilige werkomgeving bij werkzaamheden aan spoorweginfrastructuur als één ondeelbare dienst (KG:210:2025:11, 20 juni 2025).
  • 2025: bij de Hoge Raad liggen drie samenhangende conclusies over de vraag of vergoedingen die gemeenten uit afvalfondsen ontvangen voor gescheiden inzameling en rapportage van verpakkingsafval zijn belast met omzetbelasting en onder de sectorale verlegging voor afvalstoffen vallen (ECLI:NL:PHR:2025:1174, ECLI:NL:PHR:2025:1175 en ECLI:NL:PHR:2025:1176, 31 oktober 2025).
  • 2026: de Belastingdienst kennisgroep concludeert dat de sectorale verlegging van art. 12 lid 5 Wet OB 1968 geldt voor loonwerkzaamheden aan gewassen in volle grond, onderhoud aan kassen en vergelijkbare stoffelijke werkzaamheden in onderaanneming (KG:210:2026:2, 16 april 2026).

Gerelateerde thema's

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 10 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.