Btw

Verleggingsregelingen in de btw

Bijgewerkt op 19 juli 2026

Bij verlegging van de omzetbelasting wordt niet de ondernemer die de prestatie verricht, maar de afnemer aangewezen als degene die de verschuldigde btw moet aangeven. De prestatieverrichter brengt geen btw in rekening en vermeldt op de factuur dat de heffing is verlegd; de afnemer neemt de verschuldigde btw op in zijn eigen aangifte en trekt deze, voor zover hij daartoe gerechtigd is, tegelijkertijd weer af volgens de normale regels. Per saldo verschuift daarmee alleen de administratieve verplichting, niet de belastingdruk zelf.

De regeling vervult vooral een controlefunctie. Waar de heffing bij de presterende ondernemer moeilijk te innen is, bijvoorbeeld omdat deze niet in Nederland is gevestigd, of waar het invorderingsrisico bij de leverancier groot wordt geacht, verlegt de wet het aangifte- en betaalmoment naar de afnemer, die doorgaans beter grijpbaar is voor de Belastingdienst. Verlegging volgt zowel uit een algemene hoofdregel voor buitenlandse ondernemers als uit specifieke, bij lagere regelgeving aangewezen gevallen.

Voor de praktijk is verlegging vooral een kwalificatievraagstuk: is de tegenpartij de aangewezen afnemer van de prestatie. Bij sectorale verlegging op grond van lid 5 is daarnaast van belang of die afnemer voor de Belastingdienst vaststelbaar is. Onduidelijkheid hierover leidt tot naheffingsrisico's bij zowel leverancier als afnemer.

Wanneer speelt dit

De regeling speelt bij grensoverschrijdende prestaties waarbij de presterende ondernemer niet in Nederland is gevestigd en geen vaste inrichting heeft die bij de prestatie betrokken is: bij bepaalde leveringen en diensten aan een afnemer met een Nederlands btw-identificatienummer, bij overige leveringen en diensten aan een in Nederland gevestigde ondernemer of lichaam, en bij sectoren die bij algemene maatregel van bestuur zijn aangewezen, waaronder onderaanneming en uitlening van personeel in de bouw. Ook de vraag wie in een keten als afnemer geldt en of die identificeerbaar is, speelt geregeld, evenals executie van zekerheden waarbij verlegging aan de orde kan zijn.

Wettelijk kader

Art. 12 Wet OB 1968 vormt de kern. Lid 1 stelt de hoofdregel: "de belasting wordt geheven van de ondernemer die de levering of de dienst verricht." Verlegging is steeds een uitzondering hierop.

Lid 2 verlegt de heffing naar de afnemer wanneer de presterende ondernemer "niet in Nederland woont of is gevestigd en aldaar geen vaste inrichting heeft van waaruit de levering wordt verricht of de dienst wordt verleend, en aan degene aan wie de levering wordt verricht of de dienst wordt verleend een btw-identificatienummer in Nederland is toegekend" (voor leveringen als bedoeld in artikel 5b en diensten als bedoeld in artikel 6, eerste lid). Vereist zijn dus zowel de afwezigheid van een betrokken Nederlandse vestiging bij de presterende ondernemer als een Nederlands btw-identificatienummer bij de afnemer.

Lid 3 breidt dit uit naar overige leveringen (met uitzondering van de levering waarop tabel II, onderdeel a, post 6 van toepassing is) en overige diensten, mits de niet in Nederland gevestigde presterende ondernemer geen betrokken vaste inrichting heeft en de afnemer "een ondernemer is die in Nederland woont of is gevestigd dan wel aldaar een vaste inrichting heeft, of een in Nederland gevestigd lichaam in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is." De en/of-structuur en de uitzondering gelden hierbij strikt.

Lid 4 bevat een fictiebepaling: een ondernemer met een vaste inrichting in Nederland wordt toch geacht een niet in Nederland gevestigde ondernemer te zijn, mits cumulatief is voldaan aan "hij verricht in Nederland een belastbare goederenlevering of een dienst" (a) én "bij het verrichten van die goederenlevering of die dienst is de vaste inrichting in Nederland niet betrokken" (b).

Lid 5 is de grondslag voor sectorale verlegging bij lagere regelgeving: "in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen wordt onder bij of krachtens deze maatregel te stellen regelen de belasting, ten einde voor de inning daarvan meer waarborgen te scheppen, geheven van degene aan wie de levering wordt verricht of de dienst wordt verleend." De concrete aanwijzing van gevallen volgt niet uit de wettekst zelf maar uit de onderliggende algemene maatregel van bestuur.

Belangrijkste rechtspraak

De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2023:691 (2023) dat de verleggingsregeling van artikel 12, lid 5, Wet OB alleen geldt als de Belastingdienst kan vaststellen wie de afnemer is; nu die identiteit onbekend bleef, hield de naheffingsaanslag stand.

Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde in ECLI:NL:GHAMS:2023:3182 (2023), anders dan de rechtbank, dat belanghebbende geen ondernemer was wegens het verstrekken van leningen aan haar dochter en geen afnemer was van de betrokken diensten, zodat de naheffingsaanslag ten onrechte was opgelegd.

Bij de Hoge Raad ligt met ECLI:NL:PHR:2025:1174 (2025, conclusie) de vraag voor of de vergoeding die een gemeente uit een afvalfonds ontvangt voor gescheiden inzameling en rapportage van verpakkingsafval belast is met omzetbelasting, en of daarop de verleggingsregeling voor de afvalsector van artikel 12, vijfde lid, van toepassing is. Vergelijkbare vragen spelen in ECLI:NL:PHR:2025:1176 en ECLI:NL:PHR:2025:1175 (beide 2025).

In ECLI:NL:HR:2018:1032 (2018) oordeelde de Hoge Raad dat de verleggingsregeling voor executie van zekerheid ook kan gelden bij onderhandse verkoop waarmee de hypotheeknemer heeft ingestemd, mits deze in verzuim en bevoegd tot parate executie was; wie zich hierop beroept moet dit stellen en bij betwisting bewijzen.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Bij sectorale verlegging op grond van lid 5 is van belang of de identiteit van de afnemer voor de Belastingdienst vaststelbaar is; in ECLI:NL:HR:2023:691 bleef de naheffingsaanslag in stand omdat die identiteit onbekend bleef.
  • Van belang is of de tegenpartij werkelijk ondernemer en afnemer van de concrete prestatie is, niet uitsluitend op basis van een financiële relatie zoals een lening; in ECLI:NL:GHAMS:2023:3182 was belanghebbende wegens het verstrekken van leningen aan haar dochter geen ondernemer en geen afnemer van de betrokken diensten, zodat de naheffingsaanslag ten onrechte was opgelegd.
  • Bij grensoverschrijdende prestaties is van belang of de presterende ondernemer een vaste inrichting in Nederland heeft die daadwerkelijk bij de prestatie betrokken is; alleen bij afwezigheid van een betrokken vaste inrichting kan verlegging op grond van lid 2 of lid 3 van toepassing zijn, met inachtneming van de specifieke voorwaarden per lid. Lid 4 stelt daarbij een ondernemer met een niet-betrokken vaste inrichting in Nederland gelijk aan een niet in Nederland gevestigde ondernemer.
  • Bij sectorale verlegging op grond van lid 5 is de precieze afbakening te vinden in de onderliggende algemene maatregel van bestuur; de lopende afvalzaken laten zien dat die afbakening, ook voor bestaande sectoren, onderwerp van geschil kan blijven.
  • Bij executie- en zekerheidssituaties is de bewijslastverdeling van belang: wie zich op verlegging beroept, moet verzuim en bevoegdheid tot parate executie stellen en bij betwisting bewijzen.

Recente ontwikkelingen

De Belastingdienst kennisgroep publiceerde in 2025 en 2026 standpunten over de reikwijdte van de verleggingsregeling, onder meer over facilitering van een veilige werkomgeving bij werkzaamheden aan spoorweginfrastructuur als één ondeelbare dienst (KG:210:2025:11) en over loonwerkzaamheden aan gewassen in volle grond en onderhoud aan kassen als stoffelijke werkzaamheden in onderaanneming (KG:210:2026:2). Daarnaast liggen bij de Hoge Raad sinds eind 2025 drie samenhangende conclusies over de toepassing van de verleggingsregeling voor de afvalsector op vergoedingen uit afvalfondsen, wat wijst op een lopende precisering van de reikwijdte van die sectorale verlegging.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 9 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.