Formeel belastingrecht
Keten- en inlenersaansprakelijkheid
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
Keten- en inlenersaansprakelijkheid is een invorderingsrechtelijk instrument waarmee de Ontvanger onbetaalde loonheffingen, en bij inlening ook omzetbelasting, kan verhalen op een ander dan de belastingplichtige zelf: de inlener van personeel (art. 34 Invorderingswet 1990) of de (hoofd)aannemer die werk heeft uitbesteed aan een onderaannemer (art. 35 Invorderingswet 1990). De regeling richt zich op arbeidsintensieve sectoren zoals uitzendwerk, payrolling, bouw, schoonmaak en agrarische onderaanneming, waar constructies met kortlevende of insolvente uitleners en onderaannemers relatief eenvoudig op te zetten zijn. De aansprakelijkheid ontstaat van rechtswege zodra aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, los van enig verwijt aan de inlener of aannemer zelf. Risicobeperking loopt via de geblokkeerde rekening (g-rekening); daarnaast komt per 2026-2028 een publiekrechtelijk toelatingsstelsel voor uitleners.
Dit thema beantwoordt:
- Wanneer is een inlener aansprakelijk op grond van art. 34 IW 1990, en wanneer een aannemer op grond van art. 35 IW 1990?
- Wat valt onder de aansprakelijkheid, en wat blijft erbuiten?
- Hoe beperkt de g-rekening het aansprakelijkheidsrisico, en wanneer vervalt die bescherming?
- Welke situaties vallen wel of niet onder het begrip "werk van stoffelijke aard"?
- Hoe verloopt de aansprakelijkstelling, en welke rechtsmiddelen staan open?
Inlenersaansprakelijkheid: wie kwalificeert (art. 34 IW 1990)
De inlener is hoofdelijk aansprakelijk zodra cumulatief aan drie voorwaarden is voldaan: een werknemer blijft in dienstbetrekking bij zijn inhoudingsplichtige, de uitlener; die werknemer wordt door de uitlener ter beschikking gesteld aan een derde, de inlener; en de werknemer werkt bij die derde onder diens toezicht of leiding (art. 34 lid 1 IW 1990). Lid 2 verbreedt het inlenersbegrip uitdrukkelijk tot doorlening: ook de doorlener, degene die een ingeleende werknemer op zijn beurt weer ter beschikking stelt aan een volgende partij, en de derde aan wie via die doorlener is ingeleend, gelden als inlener. Dat de aansprakelijkheid ook een vennoot van een vennootschap onder firma kan treffen die op deze wijze personeel inleent, bevestigde het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in twee gelijktijdig gewezen zaken over onbetaald gebleven loonheffingen en omzetbelasting van een B.V. (ECLI:NL:GHARL:2021:2553 en ECLI:NL:GHARL:2021:2552).
Ketenaansprakelijkheid: wie kwalificeert (art. 35 IW 1990)
De aannemer is hoofdelijk aansprakelijk zodra cumulatief is voldaan aan: er is een werk van stoffelijke aard; dat werk wordt buiten dienstbetrekking uitgevoerd tegen een overeengekomen prijs; en de uitvoering vindt geheel of gedeeltelijk plaats door een onderaannemer (art. 35 lid 1 en 2 IW 1990). Elke schakel verder in de keten geldt ten opzichte van zijn eigen onderaannemer weer als aannemer (lid 3, onderdeel a), zodat de aansprakelijkheid door de hele keten doorloopt. Onderdeel b van lid 3 stelt daarnaast de eigenbouwer gelijk aan een aannemer: degene die zonder opdracht van een opdrachtgever, buiten dienstbetrekking en in de normale uitoefening van zijn bedrijf zelf een werk van stoffelijke aard uitvoert. Een eigenbouwer die op zijn beurt (onder)aannemers inschakelt, kan daardoor zelf ketenaansprakelijk worden; is de eigenbouwer onderdeel van een fiscale eenheid omzetbelasting, dan kwalificeert volgens een kennisgroepstandpunt de fiscale eenheid in haar geheel als eigenbouwer (KG:207:2024:6). Het begrip "werk van stoffelijke aard" is ruimer dan klassieke bouwactiviteiten: de Hoge Raad oordeelde dat ook het schoonmaken van gebouwen daaronder valt, zodat de ketenaansprakelijkheid van toepassing is (ECLI:NL:HR:2012:BV1382).
Twee uitzonderingen beperken de reikwijdte (art. 35 lid 4 IW 1990): de aansprakelijkheid geldt niet voor werk dat geheel of grotendeels wordt verricht op de vestigingsplaats van de onderaannemer, behalve bij de vervaardiging van kleding (niet schoeisel), en niet voor werkzaamheden die ondergeschikt zijn aan een overeenkomst van koop en verkoop van een bestaande zaak. Betreft de koop juist een nog te vervaardigen zaak die voortvloeit uit het aangenomen werk, dan geldt de verkoper wel als onderaannemer (lid 3, onderdeel c). Dezelfde ondergeschiktheidsuitzondering voor een bestaande zaak geldt voor de inlenersaansprakelijkheid (art. 34 lid 7 IW 1990).
Omvang van de aansprakelijkheid, brutering en de g-rekening
Wie kwalificeert, is hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbelasting die de uitlener respectievelijk de (onder)aannemer verschuldigd is, met inbegrip van loonbelasting die door brutering ontstaat wanneer niet correct is afgedragen; bij inlening geldt de aansprakelijkheid daarnaast voor de omzetbelasting die de uitlener of doorlener verschuldigd is (art. 34 lid 1 IW 1990). De Hoge Raad bevestigde dat brutering onder de inlenersaansprakelijkheid valt, en oordeelde dat de Ontvanger niet in strijd handelt met het zorgvuldigheidsbeginsel door verklaringen van betalingsgedrag te blijven afgeven, ook als hij rekening hield met de mogelijkheid van onjuiste aangiften door de uitlener (ECLI:NL:HR:2013:BZ5048). Bestuurlijke boetes vallen buiten beide aansprakelijkheden (art. 34 lid 1 en art. 35 lid 1, laatste zin, IW 1990).
Het aansprakelijkheidsbedrag wordt verminderd met wat de inlener of aannemer heeft overgemaakt op een geblokkeerde rekening (g-rekening) van de uitlener of onderaannemer, bestemd voor de betaling van loonbelasting en sociale verzekeringspremies, en bij inlening ook omzetbelasting (art. 34 lid 3, art. 35 lid 5 IW 1990). Die vermindering vervalt als de inlener of aannemer wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het gestorte bedrag niet voor die betalingen zou worden aangewend; aansprakelijkheid blijft bovendien geheel achterwege als aannemelijk is dat het niet betalen door de uitlener of onderaannemer noch aan hem, noch aan de inlener respectievelijk aannemer is te wijten (art. 34 lid 5, art. 35 lid 6). Staat de uitwinning van het tegoed op de g-rekening ter discussie, dan ligt het bewijsrisico bij de inlener of aannemer: in twee gelijktijdig gewezen zaken oordeelde de Hoge Raad dat niet aannemelijk was gemaakt dat een onjuiste of onrechtmatige uitwinning van het WKA-tegoed tot een te hoge aansprakelijkstelling had geleid (ECLI:NL:HR:2013:1776 en ECLI:NL:HR:2013:1775).
Kerncijfers
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Omvang aansprakelijkheid inlener | loonbelasting (incl. brutering) en, bij inlening, omzetbelasting | art. 34 lid 1 IW 1990 |
| Omvang aansprakelijkheid aannemer | loonbelasting van de onderaannemer en van iedere volgende schakel in de keten | art. 35 lid 1 IW 1990 |
| Uitgesloten van aansprakelijkheid | bestuurlijke boetes | art. 34 lid 1 en art. 35 lid 1, laatste zin, IW 1990 |
| Vermindering bij g-rekeningstorting | het overgemaakte bedrag, tenzij wetenschap van misbruik | art. 34 lid 3-4 en art. 35 lid 5 IW 1990 |
(wettekst geldend per 2026)
Procedure: aansprakelijkstelling, bezwaar en beroep
De Ontvanger stelt aansprakelijk bij voor bezwaar vatbare beschikking, pas nadat de uitlener, onderaannemer of doorlener zelf in gebreke is gebleven met de betaling van de onderliggende belastingschuld (art. 49 lid 1 IW 1990). De beschikking wordt bekendgemaakt door toezending als aangetekend stuk (lid 3); op bezwaar, beroep, hoger beroep en cassatie is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing (lid 4), met dien verstande dat het bezwaar geen betrekking kan hebben op feiten of omstandigheden die al onherroepelijk zijn vastgesteld bij de belastingaanslag zelf (lid 7). Of de onderliggende aanslag de belastingschuldige daadwerkelijk heeft bereikt, kan zelfstandig grond zijn om de aansprakelijkstelling aan te vechten: de Hoge Raad verwees een zaak over vóór 1 januari 2016 verzonden aanslagbiljetten voor nader onderzoek naar de vraag of deze, als gevolg van een fout van de Belastingdienst, de vennootschap hadden bereikt voordat zij op grond van art. 34 IW 1990 aansprakelijk werd gesteld (ECLI:NL:HR:2022:1337).
Aandachtspunten voor de praktijk
- Bij een geschil over de uitwinning van de g-rekening ligt het bewijsrisico bij de inlener of aannemer (ECLI:NL:HR:2013:1776, ECLI:NL:HR:2013:1775); een zorgvuldig gedocumenteerde storting blijft daarom relevant.
- Storting op de g-rekening van de uitlener kan tevens gelden als voldoende zekerheidstelling in de zin van art. 6:55 BW, waardoor een opschortingsbevoegdheid ten aanzien van openstaande facturen vervalt (ECLI:NL:GHARL:2022:9631).
- Doorlening en inlenen via een vennoot in een vof vallen binnen het bereik van art. 34 lid 2 IW 1990 (ECLI:NL:GHARL:2021:2553, ECLI:NL:GHARL:2021:2552).
- Voor de fiscale eenheid omzetbelasting geldt dat de eenheid in haar geheel als eigenbouwer kwalificeert zodra één onderdeel dat doet (KG:207:2024:6); de inspecteur beoordeelt de toepassing van de verleggingsregeling voor de omzetbelasting daarnaast zelfstandig.
- Formele gebreken in de aansprakelijkstelling, zoals het niet bereiken van de onderliggende aanslag, kunnen zelfstandig grond zijn voor bezwaar (ECLI:NL:HR:2022:1337); zie ook bezwaar en beroep.
Recente ontwikkelingen
- 2023: kennisgroepstandpunt KG:207:2023:1 begrenst de bescherming van een inlener die te goeder trouw op een verklaring betalingsgedrag afgaat tot de belastingschuld die ontstaat binnen één maand na de datum van afgifte.
- 2024: de Rechtbank Den Haag vernietigt naheffingsaanslagen omzetbelasting omdat de inspecteur bij een aannemer het vertrouwen had gewekt dat de verleggingsregeling buiten toepassing bleef voor eerder door onderaannemers gefactureerde omzetbelasting (ECLI:NL:RBDHA:2024:22321).
- 2024: kennisgroepstandpunt KG:207:2024:6 bepaalt dat een fiscale eenheid omzetbelasting in haar geheel als eigenbouwer kwalificeert zodra een van haar onderdelen dat doet.
- 2025: de Eerste Kamer neemt op 11 november 2025 de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten aan (Wtta, Kamerstukken 36.446), die naast de bestaande g-rekening een publiekrechtelijk toelatingsstelsel voor uitleners invoert.
- 2026-2028: registratiebepalingen van de Wtta treden in werking per 1 juli 2026; de kernbepaling die toelating verplicht stelt voor het uitlenen en inlenen van arbeidskrachten is voorzien per 1 januari 2027, met handhaving beoogd vanaf 2028. Deze toelatingseis vervangt de hoofdelijke aansprakelijkheid van art. 34 IW 1990 niet.
Gerelateerde thema's
Kernartikelen
Belangrijkste rechtspraak
10 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:GHARL:2021:2553 (2021)
De zaak betreft, op hoger beroep van de Ontvanger en incidenteel hoger beroep van belanghebbende, de inlenersaansprakelijkheid van een vennoot van een vof voor onbetaalde loonheffingen en omzetbelasting van een B.V. op grond van artikel 34 Invorderingswet 1990.
-
ECLI:NL:GHARL:2021:2552 (2021)
De zaak betreft de aansprakelijkstelling van een vennoot in een vof als inlener voor door een B.V. onbetaald gebleven loonheffingen en omzetbelasting over personeel dat de vof bij die B.V. had ingeleend.
-
ECLI:NL:HR:2013:1776 (2013)
De Hoge Raad oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat een onjuiste of onrechtmatige uitwinning van het WKA-tegoed heeft geleid tot een te hoge aansprakelijkstelling, en verklaart het cassatieberoep ongegrond.
-
ECLI:NL:GHARL:2022:9631 (2022)
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat betaling op de g-rekening van de uitlener een voldoende vorm van zekerheidstelling is in de zin van artikel 6:55 BW, zodat de bevoegdheid van de inlener om betaling van de facturen op te schorten was vervallen.
-
ECLI:NL:HR:2013:BZ5048 (2013)
De Hoge Raad oordeelt dat de inlenersaansprakelijkheid van artikel 34, lid 1, Invorderingswet 1990 mede de loonbelasting omvat die de uitlener verschuldigd wordt door brutering, en dat de Ontvanger niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel handelt door verklaringen van betalingsgedrag te blijven afgeven, ook al hield hij rekening met de mogelijkheid dat de uitlener onjuiste aangiften deed.
-
ECLI:NL:HR:2013:1775 (2013)
De Hoge Raad oordeelt dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat een onjuiste of onrechtmatige uitwinning van het WKA-tegoed heeft geleid tot een te hoge aansprakelijkstelling voor de door de onderaannemer verschuldigde loonbelasting en omzetbelasting, en verklaart het cassatieberoep ongegrond.
-
ECLI:NL:GHSHE:2020:4126 (2020)
Het Hof oordeelt dat de ontvanger belanghebbende terecht aansprakelijk heeft gesteld voor de door de uitlener onbetaald gelaten naheffingsaanslagen loonheffing en omzetbelasting, maar vermindert de aansprakelijkstelling met € 546 tot € 12.425.
-
ECLI:NL:HR:2022:1337 (2022)
De Hoge Raad oordeelt dat verwijzing moet volgen voor onderzoek naar de vraag of de vóór 1 januari 2016 verzonden aanslagbiljetten als gevolg van een fout van de Belastingdienst de BV niet hebben bereikt voordat zij aansprakelijk werd gesteld op grond van artikel 34 Invorderingswet 1990.
-
ECLI:NL:RBDHA:2024:22321 (2024)
De rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur bij een aannemer vertrouwen heeft gewekt dat de verleggingsregeling buiten toepassing bleef voor eerder door onderaannemers gefactureerde omzetbelasting; de naheffingsaanslagen worden vernietigd.
-
ECLI:NL:HR:2012:BV1382 (2012)
De Hoge Raad oordeelt dat het schoonmaken van gebouwen een werk van stoffelijke aard is in de zin van art. 35, lid 2, letter a, Invorderingswet 1990, zodat de daarvoor geldende ketenaansprakelijkheid van toepassing is.
Beleid en standpunten
3 bronnen in de kennisbank-
Besluit BWBR0049092
Dit beleidsbesluit is een actualisering van de btw-regels voor onroerende zaken, met verduidelijking van begrippen als gebouw, element en machine.
-
KG:207:2024:6 (2024)
Standpunt: Fiscale eenheid omzetbelasting kan in zijn geheel als eigenbouwer kwalificeren; aansprakelijkheid loonbelastingschulden volgt artikel 35 Invorderingswet 1990.
-
KG:207:2023:1 (2023)
Standpunt: Inleners kunnen in beperkte mate rechten ontlenen aan een schone verklaring betalingsgedrag van recente datum waarop zij te goeder trouw zijn afgegaan.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.