Inkomstenbelasting
Excessief lenen bij de eigen vennootschap
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
De regeling excessief lenen bij de eigen vennootschap richt zich op aanmerkelijkbelanghouders die geld lenen van hun eigen bv in plaats van dividend uit te keren. Zonder ingrijpen zou dat onbeperkt uitstel, of zelfs afstel, van belastingheffing in box 2 mogelijk maken. Art. 4.13 lid 1 onderdeel f Wet IB 2001 knipt dit uitstel af door het bovenmatige deel van dergelijke schulden als fictief regulier voordeel uit aanmerkelijk belang te belasten. De regeling is geen verbod op lenen bij de eigen vennootschap: zij grijpt aan bij de omvang van de schuld, niet bij de vraag of de lening zakelijk is vormgegeven. De Wet excessief lenen bij eigen vennootschap is voor het eerst aangekondigd bij het Belastingplan 2019. Bij de heroverweging van dat pakket is de maatregel verzacht, onder meer voor nieuwe eigenwoningschulden, en is de inwerkingtreding een jaar uitgesteld: de wet is uiteindelijk op 1 januari 2023 in werking getreden, met als eerste peildatum 31 december 2023, waarbij aanmerkelijkbelanghouders tot en met die datum de gelegenheid kregen hun schuldenpositie tot ten hoogste € 500.000 terug te brengen. De grens van € 500.000 zelf is sinds de aankondiging in 2018 ongewijzigd gebleven.
Dit thema beantwoordt:
- Wie kwalificeert als belastingplichtige en welke schulden tellen mee?
- Wat gebeurt er als de schuld het drempelbedrag overschrijdt, en wat bij aflossing?
- Welke schulden blijven buiten de toets: samenwerkingsverbanden en de eigen woning?
- Hoe worden schulden van verbonden personen en de partner toegerekend?
- Wat betekent de regeling bij immigratie en emigratie van de aanmerkelijkbelanghouder?
Wie kwalificeert en wat telt als schuld
Het thema speelt onder meer bij een oplopende rekening-courantschuld van de dga aan de eigen bv, bij herfinanciering waarbij een bank de aflossing van een schuld bij de eigen vennootschap financiert, bij een eigenwoningschuld van de aandeelhouder of een verbonden persoon aan de eigen vennootschap, en bij emigratie van de aanmerkelijkbelanghouder, waar de regeling doorwerkt in het uitstel van betaling voor de conserverende aanslag.
De toets raakt de belastingplichtige met een aanmerkelijk belang, diens partner, en, in beperktere mate, bloed- of aanverwanten in de rechte lijn van de belastingplichtige of zijn partner (verbonden personen). Voor de drempeltoets worden de schulden van de belastingplichtige en zijn partner bij elkaar opgeteld en gezamenlijk getoetst (art. 4.14a lid 3 Wet IB 2001). Het schuldenbegrip van art. 4.13 lid 1 onderdeel f Wet IB 2001 is opzettelijk ruim: het omvat alle civielrechtelijke schuldverhoudingen en verplichtingen die de belastingplichtige, zijn partner of beiden samen rechtens dan wel in feite direct of indirect hebben bij een vennootschap waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden, ongeacht het type lening of de besteding van het geleende geld. Volgens de memorie van toelichting is bewust afgezien van een tegenbewijsmogelijkheid voor zakelijke, gedekte of gesecureerde leningen, omdat een dergelijk onderscheid de uitvoering te zeer zou compliceren. Vorderingen die de aandeelhouder op de vennootschap heeft, worden niet gesaldeerd met zijn schulden aan diezelfde vennootschap. Ook feitelijk vergelijkbare constructies vallen onder het schuldenbegrip, zoals doorlenen van elders geleend geld en garantstellingen door de vennootschap die externe financiering van de aandeelhouder mogelijk maken. Schulden van verbonden personen tellen alleen mee bij de aanmerkelijkbelanghouder zelf voor zover die verbonden persoon zelf geen aanmerkelijk belang in de vennootschap heeft én diens eigen schulden zijn eigen drempel van € 500.000 overschrijden (art. 4.14b Wet IB 2001); is een deel van die schuld al bij de belastingplichtige zelf in aanmerking genomen, dan voorkomt lid 3 dubbeltelling. De memorie van toelichting bij de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap licht dit samenstel van fictief regulier voordeel, schuldgrens, peildatum en partnertoerekening toe; de nota naar aanleiding van het nader verslag gaat nader in op vragen over onzakelijke leningen en de toerekening aan partner en verbonden personen.
Kerncijfers
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| Drempelbedrag (maximumbedrag) per belastingplichtige + partner samen | € 500.000 | art. 4.14a lid 2 en 3 Wet IB 2001 |
| Eigen drempel voor schulden van verbonden personen | € 500.000, per verbonden persoon + diens partner | art. 4.14b lid 1 en 2 Wet IB 2001 |
| Minimumdrempel bij immigratie | bestaande schuld bij de eigen vennootschap, met een minimum van € 500.000 | art. 4.14c lid 1 Wet IB 2001 |
| Peildatum voor de omvang van de schuld | 31 december van het kalenderjaar, tegen nominale waarde | art. 4.14a lid 4 Wet IB 2001 |
| Box 2-tarief, eerste schijf tot € 68.843 | 24,5% | art. 2.12 Wet IB 2001 |
| Box 2-tarief, boven € 68.843 | 31% | art. 2.12 Wet IB 2001 |
| Overgangsdatum bestaande eigenwoningschulden zonder hypotheekvereiste | schuld bestaand op 31 december 2022 | art. 10a.23 Wet IB 2001 |
(wettekst geldend per 2026)
Gevolg: positief en negatief fictief regulier voordeel
Overschrijdt de totale schuld het drempelbedrag, dan wordt het meerdere op de peildatum, 31 december, tegen nominale waarde als positief fictief regulier voordeel in box 2 belast (art. 4.14a lid 1 en lid 4 Wet IB 2001), tegen het tarief van art. 2.12 Wet IB 2001: 24,5% tot € 68.843 en 31% daarboven. Neemt de schuld in een later jaar weer af tot onder het drempelbedrag, dan ontstaat in beginsel een negatief fictief regulier voordeel (art. 4.14a lid 1 onderdeel b Wet IB 2001), dat eerder belast voordeel terugneemt tot ten hoogste het bedrag dat eerder is belast; bij een schuld die nooit boven het drempelbedrag is uitgekomen, is er dus ook nooit een negatief voordeel te verrekenen. Deze mechaniek voorkomt dat aflossing, bijvoorbeeld gefinancierd met een dividenduitkering, tot economische dubbele heffing leidt. Verliest de aandeelhouder zijn aanmerkelijk belang anders dan door vervreemding, dan wordt het schuldbedrag voor de toets op nihil gesteld (art. 4.14a lid 5 Wet IB 2001), zodat eerder belast voordeel alsnog wordt teruggenomen.
Uitzonderingen: samenwerkingsverband en eigen woning
Twee categorieën schulden blijven principieel buiten het schuldenbegrip. Ten eerste schulden uit een civielrechtelijke verbondenheid voor een schuld die deel uitmaakt van het vermogen van een samenwerkingsverband, zoals een vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap, maatschap of vergelijkbare buitenlandse rechtsvorm, waaruit de belastingplichtige of een verbonden persoon winst uit onderneming geniet (art. 4.13 lid 4 en 5 Wet IB 2001); bepalend is die voorwaarde, niet louter de aanwezigheid van zo'n samenwerkingsverband. Wordt dezelfde samenwerkingsverband-schuld bij meerdere deelnemers meegeteld en overschrijdt de opgetelde toerekening de nominale waarde van de schuld, dan wordt het meerdere bij de ene deelnemer in mindering gebracht op wat bij de andere in aanmerking wordt genomen (art. 4.14a lid 7 Wet IB 2001). Ten tweede een eigenwoningschuld in de zin van art. 3.119a Wet IB 2001, voor zover daarvoor een recht van hypotheek op de eigen woning aan de vennootschap is verstrekt (art. 4.14a lid 6 Wet IB 2001); voor een op 31 december 2022 al bestaande eigenwoningschuld geldt de hypotheekeis niet, die schuld blijft ook zonder gevestigd hypotheekrecht buiten aanmerking (art. 10a.23 Wet IB 2001). Bij een woningschuld van een in het buitenland wonende verbonden persoon is voor de kwalificatie als eigenwoningschuld bepalend of de woning onder Nederlandse belastingheffing in box 1 zou vallen en aan de voorwaarden van art. 3.119a Wet IB 2001 wordt voldaan.
Praktijkscenario's: schuldbegrip in kennisgroepstandpunten
Gepubliceerde jurisprudentie die het schuldenbegrip van art. 4.13 Wet IB 2001 zelf toetst is nog schaars; het praktische zwaartepunt van dit thema ligt vooralsnog bij de kennisgroepstandpunten van de Belastingdienst, die de open normen van de wet invullen voor concrete casusposities. Het ruime schuldenbegrip, met de maatstaf "rechtens dan wel in feite direct of indirect", is zo ingevuld voor terugkerende situaties. Bij verrekening van rekening-courantposities via de bank kan een regresschuld tussen gelieerde entiteiten ontstaan; die verrekenvordering valt onder het schuldenbegrip van art. 4.13 lid 1 onderdeel f Wet IB 2001, en toepassing van de regeling wordt voorkomen door toetreding als vennoot en inbreng als kapitaal (KG:003:2025:9). Liquide middelen die een bv bij de aandeelhouder "stalt", bijvoorbeeld met het oog op depositogarantie, worden eveneens als schuld aangemerkt (KG:003:2025:3). Bij herfinanciering, waarbij een bank de aflossing van een te hoge lening bij de eigen vennootschap financiert en daarbij zekerheden vestigt op vaste eigendommen van de vennootschap, blijft niettemin sprake van een schuld bij die vennootschap in de zin van de regeling (KG:003:2024:3). De twee zaken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uit 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026:2717 en ECLI:NL:GHARL:2026:2718) spelen in de procedurele context van aanmerkelijkbelanggeschillen in bredere zin, namelijk de vereiste aangifte en omkering van de bewijslast, respectievelijk de rechtmatigheid van een informatiebeschikking ex art. 52a AWR, niet in de inhoudelijke afbakening van het fictief regulier voordeel zelf.
Immigratie, emigratie en procedure
Bij het ontstaan van binnenlandse belastingplicht, dus bij immigratie, wordt het maximumbedrag niet op € 500.000 gesteld maar op het bedrag van de op dat moment al bestaande schulden bij de eigen vennootschap, met een minimum van € 500.000 (art. 4.14c lid 1 Wet IB 2001); art. 4.14b is daarbij van overeenkomstige toepassing. Er is geen keuze- of aanvraagmoment: de toets loopt automatisch mee in de aangifte inkomstenbelasting over het jaar waarin de peildatum valt. Bij emigratie van de aanmerkelijkbelanghouder werkt de regeling door in het uitstel van betaling voor de conserverende aanslag: art. 25c Invorderingswet 1990 beëindigt dat uitstel gedeeltelijk zodra na emigratie alsnog een positief fictief regulier voordeel wordt genoten, verminderd met de in Nederland verschuldigde belasting over dat voordeel en met eventueel in het buitenland geheven belasting over hetzelfde verschil; schulden bij een vennootschap waarin pas ná emigratie een aanmerkelijk belang is verkregen, blijven in die berekening buiten beschouwing.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Het schuldenbegrip is ruim en niet beperkt tot formele geldleningen: verrekenposities, "gestalde" liquide middelen en andere feitelijke verplichtingen tussen aandeelhouder en vennootschap kunnen als schuld kwalificeren.
- Bij herfinanciering via een bank van een schuld bij de eigen vennootschap is relevant of de nieuwe schuld zekergesteld is op vaste eigendommen van de vennootschap; dat raakt de vraag of nog steeds sprake is van een schuld bij die vennootschap.
- Het hypotheekvereiste van art. 4.14a lid 6 Wet IB 2001 geldt niet met terugwerkende kracht voor eigenwoningschulden die al op 31 december 2022 bestonden; voor nieuwe eigenwoningschulden aan de eigen vennootschap ontbreekt die overgangsbescherming.
- De negatieve-voordeelmechaniek van art. 4.14a lid 1 onderdeel b Wet IB 2001 werkt alleen terug tot het bedrag dat eerder daadwerkelijk als positief fictief regulier voordeel is belast.
- De uitzondering voor samenwerkingsverbanden (art. 4.13 lid 4 Wet IB 2001) geldt alleen voor schulden die deel uitmaken van het vermogen van een samenwerkingsverband waaruit winst uit onderneming wordt genoten; bepalend is die voorwaarde, niet louter de aanwezigheid van een vof, cv of maatschap.
Recente ontwikkelingen
- 2023: de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap treedt in werking, met als eerste peildatum 31 december 2023 (art. 4.13 lid 1 onderdeel f Wet IB 2001).
- 2023: kennisgroepstandpunt over het forfaitaire voordeel bij immigratie in de loop van het jaar (KG:003:2023:5).
- 2023: kennisgroepstandpunt over de winstrechtverplichting onder het schuldenbegrip (KG:003:2023:12).
- 2024: kennisgroepstandpunt over herfinanciering van een te hoge lening bij de eigen vennootschap, zekergesteld op vaste eigendommen van de vennootschap (KG:003:2024:3).
- 2025: kennisgroepstandpunt over het "stallen" van liquide middelen bij de aandeelhouder met het oog op depositogarantie (KG:003:2025:3).
- 2025: kennisgroepstandpunt over de verrekenvordering bij bancaire verrekening van rekening-courantposities (KG:003:2025:9).
- 2025: de kennisgroepstandpunten KG:003:2023:12 en KG:003:2023:5 worden ingetrokken wegens opname in het Verzamelbesluit aanmerkelijk belang.
- 2026: kennisgroepstandpunt over de eigenwoningschuld van een in het buitenland wonende verbonden persoon (KG:003:2026:2).
- 2026: het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt in twee aanmerkelijkbelanggerelateerde procedures, over de vereiste aangifte en omkering van de bewijslast (ECLI:NL:GHARL:2026:2717), en over de rechtmatigheid van een informatiebeschikking ex art. 52a AWR na inbeslagname van stukken (ECLI:NL:GHARL:2026:2718); geen van beide raakt de afbakening van het schuldenbegrip van art. 4.13 Wet IB 2001 zelf.
Gerelateerde thema's
Kernartikelen
- Art. 4.13 Wet IB 2001: Reguliere voordelen
Belangrijkste rechtspraak
3 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:GHARL:2026:2717 (2026)
De zaak betreft of belanghebbende de vereiste aangifte IB/PVV 2012 heeft gedaan voor het voordeel uit aanmerkelijk belang, of dit leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast, en of de door de inspecteur toegepaste schatting van het belastbare inkomen redelijk is.
-
ECLI:NL:GHARL:2026:2718 (2026)
De zaak betreft de rechtmatigheid van informatiebeschikkingen ex artikel 52a AWR bij navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, waarbij mede de inspanningsverplichting van belanghebbende om gevraagde informatie te verstrekken aan de orde is na inbeslagname van stukken.
-
ECLI:NL:GHAMS:2018:3711 (2018)
Het Hof oordeelt dat een bedrag van € 12.204.543 aan geldlening en rekening-courantschuld het vermogen van de NV in 2010 definitief heeft verlaten omdat aannemelijk is dat deze schulden niet zullen worden afgelost, en merkt dit aan als inkomen uit aanmerkelijk belang.
Beleid en standpunten
30 bronnen in de kennisbank-
KG:003:2025:9 (2025)
Standpunt: Een verrekenvordering tussen gerelateerde entiteiten valt onder het schuldenbegrip van artikel 4.13(1)(f) Wet IB 2001, en toepassing van de excessieflenenregeling wordt voorkomen door toetreding als vennoot en inbreng als kapitaal.
-
Kamerstuk 35496 nr. 3
Memorie van toelichting Wet excessief lenen eigen vennootschap (artikel 4.14a-c WIB 2001: fictief regulier voordeel, schuldengrens per aanmerkelijkbelanghouder+partner).
-
KG:003:2023:12 (2023)
Standpunt: [Ingetrokken wegens opname Verzamelbesluit 2025] Winstrechtverplichting valt onder schuldenbegrip artikel 4.13 en wordt gewaardeerd naar waarde onderneming.
- Kamerstuk 36602 nr. 3
-
KG:003:2025:3 (2025)
Standpunt: Liquide middelen die een BV bij aandeelhouder 'stalt' voor depositogarantie kwalificeren als schulden onder artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, Wet IB 2001 (excessief lenen).
-
KG:003:2023:5 (2023)
Standpunt: [INGETROKKEN in verband met Verzamelbesluit aanmerkelijk belang 2025]. Bij immigratie in de loop van het jaar wordt een forfaitair voordeel in aanmerking genomen, berekend naar waarde op 1 januari en gecorrigeerd naar de periode van Nederlands verblijf.
- Kamerstuk 36418 nr. 3
- Kamerstuk 36202 nr. 64
-
KG:003:2022:8 (2022)
Standpunt: Het intrekken van aandelen wordt aangemerkt als vervreemdingshandeling, niet als reguliere kapitalvermindering, zodat artikel 4.13, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001 niet van toepassing is.
-
KG:003:2024:3 (2024)
Standpunt: Een schuld bij een bank voor aflossing van een te hoge lening bij de eigen vennootschap, zekergesteld op vaste eigendommen van de vennootschap, wordt aangemerkt als schuld bij die vennootschap onder de Wet excessief lenen.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.