Inkomstenbelasting
Excessief lenen bij de eigen vennootschap
Bijgewerkt op 19 juli 2026
De regeling excessief lenen bij de eigen vennootschap richt zich op aanmerkelijkbelanghouders die geld lenen van hun eigen bv in plaats van dividend uit te keren. Zonder ingrijpen zou een aandeelhouder belastingheffing in box 2 onbeperkt kunnen uitstellen, of zelfs afstellen, door vermogen als lening aan zichzelf te onttrekken zonder ooit een regulier voordeel in aanmerking te nemen. Het fictief regulier voordeel van art. 4.13 lid 1 onderdeel f Wet IB 2001 knipt dit uitstel af door het bovenmatige deel van dergelijke schulden zelf als belastbaar voordeel uit aanmerkelijk belang aan te merken.
De regeling is geen verbod op lenen bij de eigen vennootschap, maar een fictiebepaling: zij grijpt aan bij de omvang van de schuld, niet bij de vraag of de lening zakelijk is vormgegeven. Dat maakt het leerstuk breed inzetbaar voor de Belastingdienst, en tegelijk gevoelig voor discussie over wat precies onder het schuldenbegrip valt en wie als schuldenaar of schuldeiser heeft te gelden.
Voor de adviespraktijk is dit thema vooral relevant bij aandeelhouders met een rekening-courantverhouding, bij herfinanciering van een schuld bij de eigen bv via de bank, en bij structuren waarin vermogen tussen gelieerde partijen wordt verschoven zonder formele geldlening.
Wanneer speelt dit
Het thema speelt onder meer bij:
- een oplopende rekening-courantschuld van de dga aan de eigen bv, bijvoorbeeld door privéopnames of onttrekkingen;
- herfinanciering waarbij een bank de aflossing van een schuld bij de eigen vennootschap financiert en daarbij zekerheden vestigt op vaste eigendommen van de vennootschap;
- verrekening van rekening-courantposities via de bank, waardoor een regresschuld tussen gelieerde entiteiten ontstaat;
- situaties waarin de bv liquide middelen "stalt" bij de aandeelhouder, bijvoorbeeld met het oog op depositogarantie;
- een eigenwoningschuld van de aandeelhouder of een verbonden persoon aan de eigen vennootschap, ook bij verbonden personen die in het buitenland wonen;
- een schuld die deel uitmaakt van het vermogen van een samenwerkingsverband (vof, cv, maatschap of vergelijkbare buitenlandse rechtsvorm) waaruit de aandeelhouder of een verbonden persoon winst uit onderneming geniet.
Wettelijk kader
De kern van de regeling ligt in art. 4.13 Wet IB 2001. Art. 4.13 lid 1 onderdeel f Wet IB 2001 rekent tot de reguliere voordelen "het bovenmatige deel van schulden die de belastingplichtige, zijn partner of de belastingplichtige tezamen met zijn partner rechtens dan wel in feite direct of indirect heeft bij vennootschappen waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft (het fictief reguliere voordeel), waarbij onder schulden wordt verstaan: alle civielrechtelijke schuldverhoudingen en verplichtingen." De wetgever kiest bewust voor een ruim schuldenbegrip: niet alleen formele geldleningen, maar iedere civielrechtelijke schuldverhouding of verplichting tussen de aanmerkelijkbelanghouder (of diens partner) en de vennootschap kan eronder vallen. Ook is de toets niet beperkt tot directe verhoudingen: de schuld kan "rechtens dan wel in feite direct of indirect" bestaan, wat ruimte laat om ook indirecte constructies te toetsen.
Art. 4.13 lid 4 Wet IB 2001 bepaalt dat schulden "uit hoofde van een civielrechtelijke verbondenheid van de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon voor een schuld die deel uitmaakt van het vermogen van een samenwerkingsverband waaruit de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon winst uit onderneming geniet" buiten beschouwing blijven. Deze uitzondering is beperkt: zij geldt alleen voor schulden die onderdeel zijn van het vermogen van een samenwerkingsverband waaruit de belastingplichtige of een verbonden persoon winst uit onderneming geniet. Lid 5 werkt het begrip samenwerkingsverband uit als vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap, maatschap, of een naar buitenlands recht vergelijkbare rechtsvorm.
Naast art. 4.13 Wet IB 2001 kent de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap ook art. 4.14a tot en met 4.14c Wet IB 2001, die onder meer de schuldgrens per aanmerkelijkbelanghouder en partner regelen; op grond van deze bepalingen zijn eigenwoningschulden onder voorwaarden uitgezonderd van het schuldenbegrip. Deze artikelen worden in dit dossier niet inhoudelijk besproken.
De overige onderdelen van art. 4.13 lid 1 Wet IB 2001 (onder meer forfaitaire voordelen bij vrijgestelde beleggingslichamen en teruggaven van gestort kapitaal) en de leden 2 en 3 zien op andere reguliere voordelen en worden hier niet besproken.
Belangrijkste rechtspraak
De aangeleverde rechtspraaklijst bevat twee arresten van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uit 2026, die niet rechtstreeks de reikwijdte van het schuldenbegrip van art. 4.13 Wet IB 2001 toetsen, maar wel spelen in de procedurele context van geschillen over het voordeel uit aanmerkelijk belang.
ECLI:NL:GHARL:2026:2717 (2026) betreft de vraag of belanghebbende voor 2012 de vereiste aangifte IB/PVV heeft gedaan voor het voordeel uit aanmerkelijk belang, of dit leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast, en of de schatting van het belastbare inkomen door de inspecteur redelijk is.
ECLI:NL:GHARL:2026:2718 (2026) betreft de rechtmatigheid van informatiebeschikkingen ex artikel 52a AWR bij navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, waarbij mede de inspanningsverplichting van belanghebbende om gevraagde informatie te verstrekken aan de orde is, na inbeslagname van stukken.
Beide zaken illustreren de bewijs- en informatiedynamiek rond navorderingsaanslagen IB met een aanmerkelijkbelangcomponent, niet een inhoudelijke afbakening van het fictief regulier voordeel zelf.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Het schuldenbegrip is ruim ("alle civielrechtelijke schuldverhoudingen en verplichtingen"); niet alleen formele geldleningen, maar ook verrekenposities, "gestalde" liquide middelen en andere feitelijke verplichtingen tussen aandeelhouder en vennootschap kunnen als schuld kwalificeren.
- De maatstaf "rechtens dan wel in feite direct of indirect" opent de mogelijkheid dat ook indirecte of feitelijke verhoudingen worden getoetst, niet uitsluitend de formele civielrechtelijke vormgeving van een structuur.
- De uitzondering van lid 4 voor samenwerkingsverbanden geldt alleen voor schulden die deel uitmaken van het vermogen van een samenwerkingsverband waaruit de belastingplichtige of een verbonden persoon winst uit onderneming geniet; bepalend is die voorwaarde, niet louter de aanwezigheid van een vof, cv of maatschap.
- Bij herfinanciering via een bank van een schuld bij de eigen vennootschap is relevant of de nieuwe schuld zekergesteld is op vaste eigendommen van de vennootschap; dat raakt de vraag of nog steeds sprake is van een schuld bij die vennootschap.
- Bij dga's of verbonden personen die in het buitenland wonen is de kwalificatie van een woningschuld als eigenwoningschuld afhankelijk van de voorwaarde dat de woning onder Nederlandse belastingheffing in box 1 zou vallen en aan de voorwaarden van artikel 3.119a Wet IB 2001 wordt voldaan.
- Bij aanmerkelijkbelanggeschillen naast de excessief-lenenregeling kan de vraag of de vereiste aangifte is gedaan, en hoe ver informatieverplichtingen jegens de inspecteur reiken, de bewijslastverdeling beïnvloeden.
Recente ontwikkelingen
De Belastingdienst heeft recent meerdere kennisgroepstandpunten over de excessief-lenenregeling gepubliceerd of ingetrokken. Het standpunt over verrekenvorderingen bij bancaire verrekening van rekening-courantposities (2025) houdt in dat een dergelijke verrekenvordering tussen gerelateerde entiteiten onder het schuldenbegrip van art. 4.13 lid 1 onderdeel f Wet IB 2001 valt, en dat toepassing van de excessief-lenenregeling wordt voorkomen door toetreding als vennoot en inbreng als kapitaal. Een ander standpunt (begin 2026) betreft de kwalificatie van een eigenwoningschuld van een in het buitenland wonende verbonden persoon. Eerdere standpunten over winstrechtverplichtingen en het forfaitaire voordeel bij immigratie zijn ingetrokken in verband met opname in een verzamelbesluit aanmerkelijk belang uit 2025.
Kernartikelen
- Art. 4.13 Wet IB 2001 — Art. 4.13 Wet IB 2001: Reguliere voordelen
Belangrijkste rechtspraak
2 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:GHARL:2026:2717 (2026)
De zaak betreft of belanghebbende de vereiste aangifte IB/PVV 2012 heeft gedaan voor het voordeel uit aanmerkelijk belang, of dit leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast, en of de door de inspecteur toegepaste schatting van het belastbare inkomen redelijk is.
-
ECLI:NL:GHARL:2026:2718 (2026)
De zaak betreft de rechtmatigheid van informatiebeschikkingen ex artikel 52a AWR bij navorderingsaanslagen inkomstenbelasting, waarbij mede de inspanningsverplichting van belanghebbende om gevraagde informatie te verstrekken aan de orde is na inbeslagname van stukken.
Beleid en standpunten
26 bronnen in de kennisbank-
KG:003:2025:9 (2025)
Standpunt: Een verrekenvordering tussen gerelateerde entiteiten valt onder het schuldenbegrip van artikel 4.13(1)(f) Wet IB 2001, en toepassing van de excessieflenenregeling wordt voorkomen door toetreding als vennoot en inbreng als kapitaal.
-
Kamerstuk 35496 nr. 3
Memorie van toelichting Wet excessief lenen eigen vennootschap (artikel 4.14a-c WIB 2001: fictief regulier voordeel, schuldengrens per aanmerkelijkbelanghouder+partner).
-
KG:003:2023:12 (2023)
Standpunt: [Ingetrokken wegens opname Verzamelbesluit 2025] Winstrechtverplichting valt onder schuldenbegrip artikel 4.13 en wordt gewaardeerd naar waarde onderneming.
-
KG:003:2025:3 (2025)
Standpunt: Liquide middelen die een BV bij aandeelhouder 'stalt' voor depositogarantie kwalificeren als schulden onder artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, Wet IB 2001 (excessief lenen).
-
KG:003:2023:5 (2023)
Standpunt: [INGETROKKEN in verband met Verzamelbesluit aanmerkelijk belang 2025]. Bij immigratie in de loop van het jaar wordt een forfaitair voordeel in aanmerking genomen, berekend naar waarde op 1 januari en gecorrigeerd naar de periode van Nederlands verblijf.
-
KG:003:2022:8 (2022)
Standpunt: Het intrekken van aandelen wordt aangemerkt als vervreemdingshandeling, niet als reguliere kapitalvermindering, zodat artikel 4.13, eerste lid, onderdeel b, Wet IB 2001 niet van toepassing is.
-
KG:003:2024:3 (2024)
Standpunt: Een schuld bij een bank voor aflossing van een te hoge lening bij de eigen vennootschap, zekergesteld op vaste eigendommen van de vennootschap, wordt aangemerkt als schuld bij die vennootschap onder de Wet excessief lenen.
-
Kamerstuk 35496 nr. 9
Nota naar aanleiding van nader verslag beantwoordt vragen over Wet excessief lenen bij eigen vennootschap inclusief bepalingen over onzakelijke leningen, partner en verbonden personen.
-
KG:003:2026:2 (2026)
Standpunt: Een schuld van een in het buitenland wonend persoon voor een woning kan als eigenwoningschuld kwalificeren, mits de woning onder Nederlandse belastingheffing in box 1 zou vallen en aan de wettelijke voorwaarden van artikel 3.119a Wet IB 2001 wordt voldaan.
-
KG:003:2025:1 (2025)
Standpunt: Bonusaandelen verhogen niet de verkrijgingsprijs van aandelen, ook al draagt de BV de verschuldigde dividendbelasting af. De door de BV betaalde dividendbelasting verhoogt niet het belaste voordeel voor de aandeelhouder.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.