Formeel belastingrecht

Informatieverplichtingen en informatiebeschikking

Bijgewerkt op 19 juli 2026

De fiscale informatieverplichtingen vormen de basis waarop de inspecteur zijn controlerende taak uitoefent: zonder toegang tot gegevens, inlichtingen en administratie kan geen enkele belastingaanslag betrouwbaar worden vastgesteld. De Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) verplicht daarom zowel belastingplichtigen als derden om desgevraagd mee te werken, en legt administratieplichtigen daarnaast een zelfstandige plicht op om een deugdelijke administratie te voeren en te bewaren.

Waar deze verplichtingen niet of onvolledig worden nagekomen, beschikt de inspecteur over een specifiek formeel instrument: de informatiebeschikking. Dit is geen sanctie op zichzelf, maar een voor bezwaar vatbare vaststelling dat een verzuim heeft plaatsgevonden. Pas wanneer die beschikking onherroepelijk vaststaat, ontstaat het procesrechtelijke gevolg waar het de belastingplichtige werkelijk om gaat: omkering en verzwaring van de bewijslast in de aanslagprocedure. Het thema is daarmee tweeledig: het gaat om de materiële vraag of aan de administratie- en informatieverplichtingen is voldaan, en om het formele traject rondom de informatiebeschikking zelf.

Wanneer speelt dit

Het thema komt op zodra de inspecteur in het kader van een aanslagregeling, navordering of naheffing vragen stelt over gegevens, inlichtingen of de onderliggende administratie, en de belastingplichtige (of een derde) daaraan naar het oordeel van de inspecteur niet, niet tijdig of niet volledig voldoet. Typische situaties zijn een boekenonderzoek waarbij de administratie ontbreekt of onvolledig blijkt, een vragenbrief waarop niet wordt gereageerd, en derdenonderzoeken waarbij een partij (bijvoorbeeld een bank of telecomprovider) wordt aangesproken op gegevens die de belastingpositie van een ander betreffen. Ook discussies over de bewaartermijn van gegevensdragers en over de stukken die de inspecteur in een procedure over een informatiebeschikking moet overleggen, vallen binnen dit thema.

Wettelijk kader

Art. 47 AWR vormt de algemene grondslag. Lid 1 bepaalt dat ieder gehouden is desgevraagd aan de inspecteur (a) "de gegevens en inlichtingen te verstrekken welke voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn" en (b) boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, "zulks ter keuze van de inspecteur", voor dit doel beschikbaar te stellen. Deze twee onderdelen staan naast elkaar: de inspecteur kan zowel om inlichtingen als om onderliggende stukken vragen, en bepaalt zelf in welke vorm hij dit verlangt. Lid 2 breidt de verplichting uit naar derden, voor zover de belastingwet aangelegenheden van die derde aanmerkt als aangelegenheden van degene die vermoedelijk belastingplichtig is. Lid 3 regelt de identificatieplicht: een ieder van veertien jaar of ouder is verplicht op vordering van de inspecteur terstond een identiteitsbewijs te tonen, indien dit van belang kan zijn voor de belastingheffing.

Art. 52 AWR richt zich specifiek tot administratieplichtigen: lichamen, natuurlijke personen die een bedrijf of zelfstandig beroep uitoefenen of belastbare winst uit onderneming genieten, inhoudingsplichtigen, en natuurlijke personen met resultaat uit bepaalde overige werkzaamheden (lid 2). Lid 1 eist dat zij hun administratie zodanig voeren en de bijbehorende gegevensdragers zodanig bewaren, "dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken". Lid 4 verbindt hieraan een bewaartermijn van zeven jaar, "voorzover bij of krachtens de belastingwet niet anders is bepaald". Lid 6 voegt een medewerkingsverplichting toe: de administratie moet zodanig zijn ingericht dat controle door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is, met inbegrip van inzicht in opzet en werking. Lid 7 biedt een eigen rechtsgang: heeft een administratieplichtige een door de inspecteur op lid 1 gebaseerde verplichting nagekomen maar is hij van oordeel dat deze onrechtmatig is opgelegd, dan kan hij om vergoeding verzoeken van de kosten die rechtstreeks met die nakoming verband houden, waarover de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist.

Art. 52a AWR koppelt schending van deze verplichtingen aan het instrument van de informatiebeschikking. Lid 1 bepaalt dat de inspecteur, indien met betrekking tot een op te leggen aanslag, navorderingsaanslag, naheffingsaanslag of te nemen beschikking niet of niet volledig is voldaan aan de verplichtingen van onder meer art. 47, 47a, 49 en 52 AWR, dit "bij voor bezwaar vatbare beschikking (informatiebeschikking)" kan vaststellen, waarbij hij tevens wijst op art. 25 lid 3 AWR. Lid 2 verlengt de termijn voor het opleggen van de aanslag met de periode tussen bekendmaking van de informatiebeschikking en het moment waarop deze onherroepelijk vaststaat of wordt vernietigd. Lid 3 bepaalt dat de informatiebeschikking vervalt indien de inspecteur de aanslag al vaststelt voordat de informatiebeschikking onherroepelijk is geworden.

Belangrijkste rechtspraak

De Hoge Raad oordeelde in ECLI:NL:HR:2021:822 (2021) dat een belastingplichtige die heeft nagelaten een administratie bij te houden, dit verzuim niet achteraf kan helen: de rechter kan hem in dat geval geen nieuwe termijn op grond van artikel 27e, lid 2, AWR stellen om alsnog aan de administratieplicht te voldoen.

In ECLI:NL:HR:2015:2895 (2015) oordeelde de Hoge Raad dat een informatiebeschikking ook nog in de bezwaarfase kan worden genomen, tenzij dit leidt tot schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; het feit dat bij het opleggen van de aanslag is afgezien van een informatiebeschikking, wekt geen vertrouwen dat dit ook in bezwaar achterwege blijft.

ECLI:NL:HR:2015:3602 (2015) betreft de reikwijdte van de stukken die de inspecteur moet overleggen in een procedure over een informatiebeschikking: bij bezwaar of beroep tegen een informatiebeschikking behoren ook stukken uit het controledossier en een intern memo tot de op de zaak betrekking hebbende stukken.

In ECLI:NL:HR:2014:2144 (2014) oordeelde de Hoge Raad dat een informatiebeschikking geen maatregel is waarmee verstrekking van informatie wordt afgedwongen, maar dat wilsafhankelijk materiaal dat op basis daarvan is verkregen niet mag worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging; dat oordeel komt toe aan de bestraffende rechter.

Ten slotte bevestigt het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in ECLI:NL:GHARL:2021:1164 (2021) dat een informatiebeschikking terecht kan worden genomen wanneer een belanghebbende niet heeft voldaan aan de administratie- en bewaarplicht voor de omzetbelasting.

Aandachtspunten voor de praktijk

Een geconstateerd verzuim in de administratieplicht laat zich niet zonder meer met terugwerkende kracht herstellen; tijdige en volledige medewerking tijdens een lopend onderzoek is daarom te verkiezen boven pogingen tot herstel achteraf. Het uitblijven van een informatiebeschikking bij de aanslag biedt geen zekerheid dat de inspecteur daarvan in bezwaar afziet. Bij een procedure over een informatiebeschikking verdient het aanbeveling scherp te toetsen welke stukken uit het controledossier daadwerkelijk zijn overgelegd, aangezien ook interne memo's tot de op de zaak betrekking hebbende stukken kunnen behoren. Het onderscheid tussen de fiscale afdwingbaarheid van informatie en het gebruik van wilsafhankelijk materiaal in een beboetings- of strafcontext verdient afzonderlijke aandacht. Tot slot geldt de administratie- en bewaarplicht per belastingmiddel: ook voor de omzetbelasting kan een tekortschietende administratie op zichzelf al grond zijn voor een informatiebeschikking.

Recente ontwikkelingen

Een kennisgroepstandpunt van maart 2026 (KG:214:2026:1) behandelt de spanning tussen de fiscale bewaarplicht van art. 52 AWR en een sectorale bewaartermijn: telecomproviders mogen volgens dit standpunt verkeersgegevens vernietigen voordat de fiscale bewaartermijn is verstreken, indien dit nodig is om te voldoen aan artikel 11.5, tweede lid, Telecommunicatiewet. Daarnaast bevestigde een kennisgroepstandpunt uit 2023 (KG:206:2023:2) dat het niet beantwoorden van een vraag kan leiden tot partiële omkering van de bewijslast.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 213 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.