Inkomstenbelasting
Investeringsaftrek (KIA, EIA en MIA)
Bijgewerkt op 19 juli 2026
Investeringsaftrek is de verzamelnaam voor fiscale faciliteiten waarmee een ondernemer, naast de reguliere afschrijving, een extra percentage van een investeringsbedrag ten laste van de winst kan brengen. Art. 3.40 Wet IB 2001 omschrijft de investeringsaftrek als een bedrag dat de belastingplichtige "naast de afschrijvingen" aanvullend ten laste van de winst kan brengen; de aftrek komt dus bovenop de afschrijving, niet in plaats daarvan. De regeling geldt voor IB-ondernemers en werkt door in de vennootschapsbelasting.
De wet onderscheidt drie varianten: de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), die voor vrijwel alle bedrijfsmiddelen geldt en oploopt of afloopt met de omvang van het investeringsbedrag in een kalenderjaar, en twee gerichte varianten voor aangewezen bedrijfsmiddelen: de energie-investeringsaftrek (EIA) voor energiezuinige investeringen en de milieu-investeringsaftrek (MIA) voor milieuvriendelijke investeringen.
Een terugkerend aandachtspunt is de toepassing binnen samenwerkingsverbanden zoals een vennootschap onder firma (vof), waarin meerdere belastingplichtigen investeren maar de aftrek per belastingplichtige moet worden bepaald.
Wanneer speelt dit
Investeringsaftrek is relevant bij vrijwel elke investeringsbeslissing van een ondernemer of vennootschap: de aanschaf van bedrijfsmiddelen, de keuze om via een samenwerkingsverband (vof, maatschap, cv) te investeren, en de beoordeling of een investering kwalificeert voor de gerichte EIA- of MIA-regelingen. Ook bij herstructureringen speelt de regeling, bijvoorbeeld wanneer een bedrijfsmiddel vóór ontvoeging van een fiscale eenheid wordt overgedragen aan een dochtermaatschappij. Voor de KIA is verder relevant of een onderneming deel uitmaakt van een samenwerkingsverband, omdat dat de berekening van het aftrekbedrag beïnvloedt.
Wettelijk kader
Art. 3.40 Wet IB 2001 bevat de basisbepaling: "Indien wordt geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen kan door de belastingplichtige naast de afschrijvingen een deel van het investeringsbedrag aanvullend ten laste van de winst worden gebracht (investeringsaftrek)." De bepaling noemt drie vormen: kleinschaligheidsinvesteringsaftrek, energie-investeringsaftrek en milieu-investeringsaftrek. Een apart MIA-artikel is in de aangeleverde bronnen niet meegeleverd, zodat over de MIA-voorwaarden zelf geen inhoudelijke uitspraken worden gedaan.
Art. 3.41 lid 1 Wet IB 2001 regelt de KIA: "Indien in een kalenderjaar wordt geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen, en de belastingplichtige daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een per onderneming op de voet van het tweede lid berekende kleinschaligheidsinvesteringsaftrek ten laste gebracht van de winst over dat jaar." De aftrek is dus keuzeafhankelijk en wordt per onderneming berekend. Lid 2 bevat de schijventabel: tot € 2.900 is de aftrek nihil, tussen € 2.900 en € 71.683 bedraagt zij 28% van het investeringsbedrag, tussen € 71.683 en € 132.746 een vast bedrag van € 20.072, tussen € 132.746 en € 398.236 dat vaste bedrag verminderd met 7,56% van het meerdere boven € 132.746, en vanaf € 398.236 is de aftrek weer nihil. Lid 3 regelt de samentelling bij een samenwerkingsverband: "Indien de onderneming van de belastingplichtige deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere belastingplichtigen (...) worden voor de toepassing van het tweede lid hun investeringen voor het samenwerkingsverband en de door de belastingplichtige (...) gedane buitenvennootschappelijke investeringen samengeteld", waarna het aldus bepaalde bedrag wordt vermenigvuldigd met het aan de belastingplichtige toe te rekenen investeringsbedrag en gedeeld door de som van het gezamenlijke investeringsbedrag voor het samenwerkingsverband en het bedrag van de door de belastingplichtige voor de betreffende onderneming gedane buitenvennootschappelijke investeringen.
Art. 3.42 Wet IB 2001 regelt de EIA. Lid 1 eist dat wordt geïnvesteerd "in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de ondernemer gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat is verklaard dat sprake is van energie-investeringen", en dat de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest: vereist zijn dus zowel een ministeriële verklaring op verzoek van de ondernemer als een aangiftekeuze. Lid 3 bepaalt dat de energie-investeringsaftrek 40 percent bedraagt. Lid 4 stelt een plafond van € 153.000.000 per belastingplichtige per jaar, met een naar rato verdeling bij een samenwerkingsverband. Lid 6 koppelt de aftrek aan een elektronische aanmelding bij de minister: "De energie-investeringsaftrek is van toepassing indien de energie-investering langs de daartoe geopende elektronische weg is aangemeld".
Belangrijkste rechtspraak
De Hoge Raad oordeelde op 1 mei 2020 in een reeks vergelijkbare zaken dat bij een samenwerkingsverband zoals een vof de investeringen van alle vennoten moeten worden samengeteld om de toepasselijke KIA-tabelrij te bepalen, waarna het bedrag wordt toegerekend naar de eigen investeringen van de belastingplichtige vennoot (ECLI:NL:HR:2020:825; nagenoeg gelijkluidend ECLI:NL:HR:2020:826, 2020:827 en 2020:828). Dat samentellen dient echter uitsluitend om de tabelrij te bepalen: in ECLI:NL:HR:2019:785 (24 mei 2019) oordeelde de Hoge Raad dat de samentelling van art. 3.41 lid 3 Wet IB 2001 niet uitsluit dat een vennoot met buitenvennootschappelijke investeringen daarnaast recht heeft op het vaste bedrag aan KIA.
Voor de EIA is relevant ECLI:NL:HR:2017:1133 (23 juni 2017): de Hoge Raad oordeelde dat een dochtermaatschappij geen recht heeft op energie-investeringsaftrek voor een bedrijfsmiddel dat de moedermaatschappij, zonder zelf de aanmelding voor de aftrek te hebben gedaan, vóór ontvoeging aan haar heeft overgedragen.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Bij investeren via een vof of andere samenwerkingsvorm moet voor de KIA eerst het gezamenlijke investeringsbedrag worden bepaald om de tabelrij te vinden; pas daarna wordt toegerekend naar de individuele vennoot (HR 1 mei 2020).
- Buitenvennootschappelijke investeringen tellen weliswaar mee bij het bepalen van de tabelrij, maar sluiten volgens HR 24 mei 2019 het recht op het vaste KIA-bedrag niet uit; de samentelling is een rekentechnisch instrument, geen zelfstandige aftrekbeperking.
- Voor de EIA zijn zowel een langs elektronische weg gedane aanmelding als een keuze bij de aangifte vereist; ontbreekt een van beide, dan is geen aftrek mogelijk.
- Bij overdracht van bedrijfsmiddelen binnen een groep vóór ontvoeging is bepalend wie de EIA-aanmelding heeft gedaan: volgens HR 23 juni 2017 kan een verkrijgende dochter geen aftrek claimen als de overdragende moeder zelf niet heeft aangemeld.
Recente ontwikkelingen
De Belastingdienst kennisgroep publiceerde standpunten over de samenloop van investeringsaftrek met deelnemingen: een bv met vof-deelnemingen moet de investeringen samenvoegen en eenmaal KIA toepassen (KG:212:2024:4, augustus 2024), en voor de EIA is verduidelijkt hoe het jaarlijkse maximum van € 153.000.000 werkt bij een bv die deelneemt in een cv (KG:212:2024:7, december 2024, gewijzigd met ingang van 1 januari 2026). Bij de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2025 is verder een gewijzigd amendement ingediend dat volgens de toelichting is gericht op het tegengaan van ontwijkingsconstructies met de energie- en milieu-investeringsaftrek, door de energie-investeringsaftrek te begrenzen op de winst uit onderneming, met verrekening van niet-gerealiseerde aftrek in ten hoogste de negen volgende jaren (Kamerstuk 36602 nr. 136). Deze begrenzing ziet blijkens het kamerstuk op artikel 3.5a WIB 2001.
Kernartikelen
- Art. 3.40 Wet IB 2001 — Art. 3.40 Wet IB 2001: Investeringsaftrek
- Art. 3.41 Wet IB 2001 — Art. 3.41 Wet IB 2001: Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek
- Art. 3.42 Wet IB 2001 — Art. 3.42 Wet IB 2001: Energie-investeringsaftrek
Belangrijkste rechtspraak
13 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2020:825 (2020)
De Hoge Raad oordeelt dat voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (art. 3.41 Wet IB 2001) bij een samenwerkingsverband zoals een vof de investeringen van alle vennoten moeten worden samengeteld om de toepasselijke KIA-tabelrij te bepalen, waarna het bedrag wordt toegerekend naar de eigen investeringen van de belastingplichtige vennoot.
-
ECLI:NL:HR:2020:828 (2020)
De Hoge Raad oordeelt dat voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek van een vennoot in een vennootschap onder firma de toepasselijke KIA-tabelrij moet worden bepaald aan de hand van de samengetelde investeringen van alle vennoten in de vof, ook al drijft iedere vennoot fiscaal een eigen onderneming.
-
ECLI:NL:HR:2020:826 (2020)
De Hoge Raad oordeelt dat voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (art. 3.41 Wet IB 2001) bij een samenwerkingsverband zoals een vof de investeringen van alle vennoten moeten worden samengeteld om de toepasselijke KIA-tabelrij te bepalen, waarna het bedrag wordt toegerekend naar de eigen investeringen van de belastingplichtige vennoot.
-
ECLI:NL:HR:2020:827 (2020)
De Hoge Raad oordeelt dat voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek van een vennoot in een vof de investeringen van alle vennoten worden samengeteld om de toepasselijke KIA-tabelrij te bepalen, waarna het aandeel van de vennoot naar rato wordt berekend; het cassatieberoep is ongegrond.
-
ECLI:NL:HR:2019:785 (2019)
De Hoge Raad oordeelt dat de samentelling van art. 3.41, lid 3, Wet IB 2001 alleen dient om de toepasselijke rij van de KIA-tabel te bepalen, en niet uitsluit dat een vennoot met buitenvennootschappelijke investeringen recht heeft op het vaste bedrag aan kleinschaligheidsinvesteringsaftrek.
-
ECLI:NL:PHR:2020:29 (2020)
De advocaat-generaal concludeert dat de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (art. 3.41 Wet IB 2001) voor vennoten in een samenwerkingsverband wordt berekend over het gezamenlijke investeringsbedrag en vervolgens naar winstgerechtigdheid over de vennoten wordt verdeeld.
-
ECLI:NL:PHR:2020:113 (2020)
De A-G concludeert dat de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek bij een samenwerkingsverband wordt berekend over het gezamenlijke investeringsbedrag en vervolgens over de vennoten wordt verdeeld naar rato van hun winstgerechtigdheid, en dat beide middelen van belanghebbende falen.
-
ECLI:NL:PHR:2020:13 (2020)
De A-G concludeert dat de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (art. 3.41 Wet IB 2001) voor een door een vennootschap onder firma gedane investering bij helfte over de vennoten moet worden verdeeld naar rato van hun winstgerechtigdheid, en adviseert het cassatieberoep van belanghebbende ongegrond te verklaren.
-
ECLI:NL:PHR:2020:112 (2020)
De advocaat-generaal concludeert dat de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek bij een samenwerkingsverband zoals een vof moet worden berekend over het totale investeringsbedrag van het samenwerkingsverband en verdeeld over de vennoten naar rato van hun winstgerechtigdheid, en niet per vennoot afzonderlijk zoals belanghebbende bepleit.
-
ECLI:NL:HR:2017:1133 (2017)
De Hoge Raad oordeelt dat een dochtermaatschappij geen recht heeft op energie-investeringsaftrek voor een bedrijfsmiddel dat de moedermaatschappij, zonder zelf de aanmelding voor de aftrek te hebben gedaan, vóór ontvoeging aan haar heeft overgedragen.
Beleid en standpunten
11 bronnen in de kennisbank-
KG:212:2024:7 (2024)
Standpunt: [GEWIJZIGD MET INGANG 1 JANUARI 2026] Maximum energie-investeringsaftrek article 3.42, vierde lid, Wet IB 2001 bedraagt EUR 153 miljoen per belastingplichtige per jaar (samentelplafond).
-
Kamerstuk 35572 nr. 15
Tweede nota wijziging Belastingplan 2021 voert Hoofdstuk IX BIK-afdrachtvermindering in voor baangerelateerde investeringen door werkgevers.
-
KG:212:2024:4 (2024)
Standpunt: BV met vof-deelnemingen moet investeringen samenvoegen en eenmaal KIA toepassen; samentelregeling geldt.
-
Besluit BWBR0019185
Goedkeuring/beleid inzake willekeurige afschrijving. Dit besluit actualiseert het beleid over willekeurige afschrijving in inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting.
-
Besluit BWBR0034987
Beleid inzake investeringsaftrek; actualisering bepalingen milieuvriendelijke voertuigen, asbesthoudende daken en late keuze.
-
Kamerstuk 35572 nr. 18
Nota behandelt werkingspremissen, bereik en budgettaire aspecten van de baangerelateerde investeringskorting; concrete regeluitkomsten niet zichtbaar in voorliggende tekst.
-
Kamerstuk 36602 nr. 136
Energie-investeringsaftrek (artikel 3.5a WIB 2001) begrensd op winst uit onderneming; niet-gerealiseerde aftrek verrekend max 9 volgende jaar.
-
KG:212:2022:4 (2022)
Standpunt: Een energieverklaring per abuis afgegeven op naam van verkeerde ondernemer kan door inspecteur beschouwd worden als afgegeven aan investerende ondernemer als melding tijdig plaatsvond.
-
Kamerstuk 29767 nr. 6
Investeringsaftrek en zelfstandigenaftrek bedragen in IB 2001 worden aangepast via modificatie schijven en percentages voor kalenderjaar 2005.
-
KG:011:2022:7 (2022)
Standpunt: drempelbedragen, franchises en maxima in euro's uit Wet Vpb 1969 worden bij aangifte in buitenlandse valuta rekenkundig afgerond (niet ten gunste van belastingplichtige) op hele bedragen.
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.