Inkomstenbelasting
Investeringsaftrek (KIA, EIA en MIA)
Bijgewerkt op 3 augustus 2026
Investeringsaftrek is de verzamelnaam voor drie fiscale faciliteiten waarmee een ondernemer, naast de reguliere afschrijving, een extra percentage van een investeringsbedrag ten laste van de winst kan brengen. Art. 3.40 Wet IB 2001 omschrijft de aftrek als een bedrag dat de belastingplichtige "naast de afschrijvingen" aanvullend ten laste van de winst kan brengen, in de vorm van de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA), de energie-investeringsaftrek (EIA) of de milieu-investeringsaftrek (MIA). De KIA is generiek en hangt alleen af van het totale investeringsbedrag in een kalenderjaar; de EIA en de MIA gelden alleen voor bedrijfsmiddelen die vooraf door een minister zijn aangewezen als energie- respectievelijk milieu-investering. De regeling geldt voor IB-ondernemers met winst uit onderneming en werkt via de winstbepaling door in de vennootschapsbelasting.
Dit thema beantwoordt:
- Wanneer kwalificeert een investering voor de KIA, de EIA of de MIA?
- Hoe wordt de KIA berekend bij investeren via een samenwerkingsverband zoals een vof?
- Welke bedrijfsmiddelen en verplichtingen zijn uitgesloten van de aftrek?
- Wat gebeurt er als een bedrijfsmiddel binnen vijf jaar weer wordt vervreemd?
- Wie moet de EIA-aanmelding doen als een bedrijfsmiddel binnen een groep wordt overgedragen?
Investeren en kwalificerende bedrijfsmiddelen
Van investeren is voor alle drie de varianten sprake bij het aangaan van verplichtingen ter aanschaffing of verbetering van een bedrijfsmiddel, of het maken van voortbrengingskosten, voor zover deze op de belastingplichtige drukken (art. 3.43 Wet IB 2001); kosten die een ander draagt of vergoedt tellen niet mee. De belastingplichtige moet voor de aftrek kiezen bij de aangifte (art. 3.41 lid 1 en art. 3.42 lid 1 Wet IB 2001); zonder die keuze geen aftrek, ook niet als aan de overige voorwaarden is voldaan. De KIA geldt voor vrijwel alle bedrijfsmiddelen zonder aanmeldings- of verklaringsvereiste, mits het investeringsbedrag per bedrijfsmiddel ten minste € 450 bedraagt (art. 3.45 lid 2 onderdeel b Wet IB 2001). De EIA en de MIA gelden daarentegen alleen voor een niet eerder gebruikt bedrijfsmiddel waarvoor de bevoegde minister op verzoek heeft verklaard dat sprake is van een energie- respectievelijk milieu-investering die bij ministeriële regeling is aangewezen (art. 3.42 lid 1-2 Wet IB 2001); welke bedrijfsmiddelen concreet zijn aangewezen staat in een jaarlijkse ministeriële regeling, niet in de wet zelf.
Percentages, drempels en grenzen
Voor de KIA geldt een aflopende schijventabel (art. 3.41 lid 2 Wet IB 2001): tot € 2.900 investeringsbedrag geen aftrek, van € 2.900 tot € 71.683 bedraagt de aftrek 28% van het investeringsbedrag, en het percentage bouwt vervolgens schijfsgewijs af tot nihil vanaf € 398.236 investeringsbedrag. De EIA bedraagt een uniform percentage van 40% van het energie-investeringsbedrag (art. 3.42 lid 3 Wet IB 2001), met een jaarplafond van € 153.000.000 per belastingplichtige, dat bij een samenwerkingsverband naar rato van de eigen energie-investeringen wordt verdeeld (lid 4). De MIA kent geen uniform percentage maar drie categorieën van 45%, 36% en 27% van het milieu-investeringsbedrag (art. 3.42a lid 3 Wet IB 2001); tot welke categorie een investering behoort, volgt uit een ministeriële regeling. Voor de EIA en de MIA gezamenlijk geldt een drempel van € 2.500 per bedrijfsmiddel (art. 3.45 lid 4 Wet IB 2001).
Kerncijfers
| Element | Waarde | Grondslag |
|---|---|---|
| KIA-drempel per bedrijfsmiddel | € 450 | art. 3.45 lid 2 onderdeel b Wet IB 2001 |
| KIA-basispercentage (schijf € 2.900 tot € 71.683) | 28% van het investeringsbedrag | art. 3.41 lid 2 Wet IB 2001 |
| KIA vervalt vanaf | € 398.236 investeringsbedrag | art. 3.41 lid 2 Wet IB 2001 |
| EIA-percentage | 40% van het energie-investeringsbedrag | art. 3.42 lid 3 Wet IB 2001 |
| EIA-jaarplafond | € 153.000.000 per belastingplichtige per jaar | art. 3.42 lid 4 Wet IB 2001 |
| EIA/MIA-drempel per bedrijfsmiddel | € 2.500 | art. 3.45 lid 4 Wet IB 2001 |
| MIA-percentages categorie I / II / III | 45% / 36% / 27% van het milieu-investeringsbedrag | art. 3.42a lid 3 Wet IB 2001 |
| Desinvesteringsbijtelling-termijn | binnen 5 jaar na begin investeringsjaar | art. 3.47 lid 1 Wet IB 2001 |
(wettekst geldend per 2026)
Gevolg van toepassing en desinvesteringsbijtelling
Toepassing van investeringsaftrek verlaagt de fiscale winst van het jaar van investeren met het afgetrokken bedrag, bovenop de reguliere afschrijving; de fiscale boekwaarde van het bedrijfsmiddel zelf verandert niet. Wordt het bedrijfsmiddel binnen vijf jaar na het begin van het investeringsjaar weer vervreemd, dan kan het eerder genoten voordeel via de desinvesteringsbijtelling (art. 3.47 lid 1-2 Wet IB 2001) geheel of gedeeltelijk worden teruggenomen: van de overdrachtsprijs wordt hetzelfde percentage als destijds als aftrek is toegepast ten bate van de winst gebracht, tot maximaal het bedrag waarover destijds aftrek is genoten, en alleen boven een drempel van € 2.900 aan overdrachtsprijzen per jaar. Met vervreemding wordt onder meer gelijkgesteld: onttrekking van het goed aan de onderneming, een bestemmingswijziging waardoor het goed alsnog onder een uitsluitingscategorie valt, en het "ongedaan maken" van de investering, waaronder mede wordt verstaan dat binnen twaalf maanden na het aangaan van de verplichting minder dan 25% van het investeringsbedrag is betaald (tenzij het bedrijfsmiddel dan al in gebruik is genomen), of dat het bedrijfsmiddel niet binnen drie jaar na het begin van het investeringsjaar in gebruik is genomen (art. 3.47 lid 3, 5 en 6 Wet IB 2001). Dit aandachtspunt speelt ook bij een herinvesteringsreserve na vervreemding van bedrijfsmiddelen.
Reikwijdte: uitsluitingen
Buiten de investeringsaftrek vallen sowieso (art. 3.45 lid 1 Wet IB 2001): bedrijfsmiddelen die hoofdzakelijk worden gebruikt voor een bosbedrijf (behalve als de voordelen daaruit tot de winst behoren), voor een onderneming waarvan de winst onder een regeling ter voorkoming van dubbele belasting valt, gronden (met uitzondering van afschrijfbare grondverbeteringen), woonhuizen en woonschepen, personenauto's die niet voor beroepsvervoer zijn bestemd, bepaalde vaartuigen, effecten, vorderingen, goodwill en publiekrechtelijke vergunningen en concessies, en dieren. Voor de KIA specifiek vallen daarnaast buiten de aftrek bedrijfsmiddelen die hoofdzakelijk bestemd zijn om aan derden ter beschikking te worden gesteld, zoals bij verhuur (art. 3.45 lid 2 Wet IB 2001). Voor de EIA en de MIA gezamenlijk vallen bovendien buiten de aftrek bedrijfsmiddelen die hoofdzakelijk ter beschikking worden gesteld aan niet in Nederland wonende personen of gevestigde lichamen, of aan ondernemingen waarvan de winst onder een regeling ter voorkoming van dubbele belasting valt (art. 3.45 lid 4 Wet IB 2001). Verplichtingen tussen gelieerde partijen tellen wettelijk evenmin mee: de belastingplichtige en zijn huisgenoten, bloed- of aanverwanten in de rechte lijn, mede-erfgenamen van een nalatenschap waartoe het bedrijfsmiddel behoort, of een lichaam en een aandeelhouder met een belang van ten minste een derde (art. 3.46 lid 1 Wet IB 2001).
Toerekening binnen een samenwerkingsverband
Investeert de belastingplichtige via een samenwerkingsverband zoals een vennootschap onder firma, dan worden voor de KIA eerst de investeringen van alle vennoten samengeteld om de toepasselijke tabelrij van art. 3.41 lid 2 Wet IB 2001 te bepalen; het aldus gevonden bedrag wordt vervolgens toegerekend naar de eigen investeringen van de belastingplichtige vennoot (art. 3.41 lid 3 Wet IB 2001). De Hoge Raad bevestigde deze tweetrapsberekening op 1 mei 2020 in een reeks vergelijkbare zaken (ECLI:NL:HR:2020:825, nagenoeg gelijkluidend ECLI:NL:HR:2020:826, ECLI:NL:HR:2020:827 en ECLI:NL:HR:2020:828). De samentelling dient echter uitsluitend om de juiste tabelrij te vinden en is geen zelfstandige aftrekbeperking: in ECLI:NL:HR:2019:785 oordeelde de Hoge Raad dat art. 3.41 lid 3 Wet IB 2001 niet uitsluit dat een vennoot met daarnaast buitenvennootschappelijke investeringen ook nog recht heeft op het vaste bedrag aan KIA.
Procedure en de EIA-aanmelding bij overdracht
Voor de KIA volstaat een keuze bij de aangifte; er is geen voorafgaand verzoek of aanmelding nodig. Voor de EIA en de MIA is de procedure tweeledig: eerst moet de ondernemer bij de bevoegde minister een verzoek indienen om de investering aangewezen te krijgen als energie- of milieu-investering, en vervolgens moet de investering langs elektronische weg bij die minister worden aangemeld (art. 3.42 lid 6 Wet IB 2001); zonder die aanmelding is de EIA niet van toepassing, ongeacht of overigens aan de inhoudelijke voorwaarden is voldaan. Die aanmeldingsplicht is persoonsgebonden: de Hoge Raad oordeelde dat een dochtermaatschappij geen recht heeft op energie-investeringsaftrek voor een bedrijfsmiddel dat de moedermaatschappij, zonder zelf de vereiste aanmelding te hebben gedaan, vóór ontvoeging uit een fiscale eenheid aan haar heeft overgedragen (ECLI:NL:HR:2017:1133); de verplichting gaat dus niet automatisch mee over naar de verkrijger. Is een bedrijfsmiddel aan het einde van het kalenderjaar nog niet in gebruik genomen en zou de aftrek uitkomen boven wat op dat moment al is betaald, dan wordt alleen het betaalde deel in aanmerking genomen; het restant volgt in latere jaren naar gelang er wordt betaald, maar uiterlijk in het jaar van ingebruikname (art. 3.44 lid 1 Wet IB 2001). Bij staking van de onderneming wordt de nog niet genoten aftrek in één keer in het jaar van staking in aanmerking genomen (art. 3.44 lid 2 Wet IB 2001), wat deze regeling raakt aan staking van de onderneming.
Begrenzing vanaf 2029
Vanaf 1 januari 2029 geldt voor de EIA en de MIA een extra beperking: de aftrek wordt begrensd op de winst uit onderneming van het jaar zelf, met verrekening van het niet-gerealiseerde deel in ten hoogste de negen volgende jaren (art. 3.42 en art. 3.42a Wet IB 2001). De maatregel is ingevoerd bij een amendement bij het Belastingplan 2025, gericht op het tegengaan van fiscale ontwijkingsconstructies met deze aftrekposten.
Aandachtspunten voor de praktijk
- Bij investeren via een vof of andere samenwerkingsvorm moet voor de KIA eerst het gezamenlijke investeringsbedrag worden bepaald om de tabelrij te vinden; pas daarna wordt toegerekend naar de individuele vennoot.
- Buitenvennootschappelijke investeringen tellen mee voor de tabelrij, maar sluiten het recht op het vaste KIA-bedrag niet uit.
- Voor de EIA en de MIA zijn zowel een ministeriële verklaring als een elektronische aanmelding vereist; die aanmeldingsplicht gaat bij overdracht van het bedrijfsmiddel niet automatisch mee over naar de verkrijger.
- De desinvesteringsbijtelling raakt niet alleen verkoop: onttrekking aan de onderneming, bepaalde bestemmingswijzigingen en het niet tijdig betalen of in gebruik nemen van een bedrijfsmiddel gelden wettelijk ook als vervreemding.
- Investeringen tussen gelieerde partijen komen wettelijk nooit voor investeringsaftrek in aanmerking, ongeacht de zakelijkheid van de onderliggende prijs.
Recente ontwikkelingen
- augustus 2024: kennisgroepstandpunt over de samenloop van KIA en vof-deelnemingen: een bv met vof-deelnemingen moet de investeringen samenvoegen en eenmaal KIA toepassen (KG:212:2024:4).
- december 2024, gewijzigd met ingang van 1 januari 2026: kennisgroepstandpunt over het EIA-jaarmaximum van € 153.000.000 bij een bv die deelneemt in een cv (KG:212:2024:7).
- Belastingplan 2025: nader gewijzigd amendement van het lid Maatoug c.s. begrenst de EIA/MIA-aftrek per 1 januari 2029 op de winst uit onderneming, met verrekening in ten hoogste negen volgende jaren (Kamerstuk 36602, nr. 138, ter vervanging van nr. 136).
Gerelateerde thema's
Kernartikelen
- Art. 3.40 Wet IB 2001: Investeringsaftrek
- Art. 3.41 Wet IB 2001: Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek
- Art. 3.42 Wet IB 2001: Energie-investeringsaftrek
Belangrijkste rechtspraak
14 uitspraken in de kennisbank-
ECLI:NL:HR:2020:825 (2020)
De Hoge Raad oordeelt dat voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (art. 3.41 Wet IB 2001) bij een samenwerkingsverband zoals een vof de investeringen van alle vennoten moeten worden samengeteld om de toepasselijke KIA-tabelrij te bepalen, waarna het bedrag wordt toegerekend naar de eigen investeringen van de belastingplichtige vennoot.
-
ECLI:NL:HR:2020:828 (2020)
De Hoge Raad oordeelt dat voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek van een vennoot in een vennootschap onder firma de toepasselijke KIA-tabelrij moet worden bepaald aan de hand van de samengetelde investeringen van alle vennoten in de vof, ook al drijft iedere vennoot fiscaal een eigen onderneming.
-
ECLI:NL:HR:2020:826 (2020)
De Hoge Raad oordeelt dat voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (art. 3.41 Wet IB 2001) bij een samenwerkingsverband zoals een vof de investeringen van alle vennoten moeten worden samengeteld om de toepasselijke KIA-tabelrij te bepalen, waarna het bedrag wordt toegerekend naar de eigen investeringen van de belastingplichtige vennoot.
-
ECLI:NL:HR:2020:827 (2020)
De Hoge Raad oordeelt dat voor de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek van een vennoot in een vof de investeringen van alle vennoten worden samengeteld om de toepasselijke KIA-tabelrij te bepalen, waarna het aandeel van de vennoot naar rato wordt berekend; het cassatieberoep is ongegrond.
-
ECLI:NL:HR:2019:785 (2019)
De Hoge Raad oordeelt dat de samentelling van art. 3.41, lid 3, Wet IB 2001 alleen dient om de toepasselijke rij van de KIA-tabel te bepalen, en niet uitsluit dat een vennoot met buitenvennootschappelijke investeringen recht heeft op het vaste bedrag aan kleinschaligheidsinvesteringsaftrek.
-
ECLI:NL:PHR:2020:29 (2020)
De advocaat-generaal concludeert dat de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (art. 3.41 Wet IB 2001) voor vennoten in een samenwerkingsverband wordt berekend over het gezamenlijke investeringsbedrag en vervolgens naar winstgerechtigdheid over de vennoten wordt verdeeld.
-
ECLI:NL:PHR:2020:113 (2020)
De A-G concludeert dat de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek bij een samenwerkingsverband wordt berekend over het gezamenlijke investeringsbedrag en vervolgens over de vennoten wordt verdeeld naar rato van hun winstgerechtigdheid, en dat beide middelen van belanghebbende falen.
-
ECLI:NL:PHR:2020:13 (2020)
De A-G concludeert dat de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (art. 3.41 Wet IB 2001) voor een door een vennootschap onder firma gedane investering bij helfte over de vennoten moet worden verdeeld naar rato van hun winstgerechtigdheid, en adviseert het cassatieberoep van belanghebbende ongegrond te verklaren.
-
ECLI:NL:PHR:2020:112 (2020)
De advocaat-generaal concludeert dat de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek bij een samenwerkingsverband zoals een vof moet worden berekend over het totale investeringsbedrag van het samenwerkingsverband en verdeeld over de vennoten naar rato van hun winstgerechtigdheid, en niet per vennoot afzonderlijk zoals belanghebbende bepleit.
-
ECLI:NL:HR:2017:1133 (2017)
De Hoge Raad oordeelt dat een dochtermaatschappij geen recht heeft op energie-investeringsaftrek voor een bedrijfsmiddel dat de moedermaatschappij, zonder zelf de aanmelding voor de aftrek te hebben gedaan, vóór ontvoeging aan haar heeft overgedragen.
Beleid en standpunten
20 bronnen in de kennisbank-
KG:212:2024:7 (2024)
Standpunt: [GEWIJZIGD MET INGANG 1 JANUARI 2026] Maximum energie-investeringsaftrek article 3.42, vierde lid, Wet IB 2001 bedraagt EUR 153 miljoen per belastingplichtige per jaar (samentelplafond).
-
Kamerstuk 35572 nr. 15
Tweede nota wijziging Belastingplan 2021 voert Hoofdstuk IX BIK-afdrachtvermindering in voor baangerelateerde investeringen door werkgevers.
- Kamerstuk 32128 nr. 3
-
KG:212:2024:4 (2024)
Standpunt: BV met vof-deelnemingen moet investeringen samenvoegen en eenmaal KIA toepassen; samentelregeling geldt.
-
Besluit BWBR0019185
Goedkeuring/beleid inzake willekeurige afschrijving. Dit besluit actualiseert het beleid over willekeurige afschrijving in inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting.
-
Besluit BWBR0034987
Beleid inzake investeringsaftrek; actualisering bepalingen milieuvriendelijke voertuigen, asbesthoudende daken en late keuze.
-
Kamerstuk 35572 nr. 18
Nota behandelt werkingspremissen, bereik en budgettaire aspecten van de baangerelateerde investeringskorting; concrete regeluitkomsten niet zichtbaar in voorliggende tekst.
- Kamerstuk 36418 nr. 3
- Kamerstuk 36602 nr. 88
- Kamerstuk 36602 nr. 135
Verwante thema's
Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.