Inkomstenbelasting

Tonnageregeling (winst uit zeescheepvaart)

Bijgewerkt op 3 augustus 2026

De tonnageregeling vervangt voor zeescheepvaartondernemingen de gewone winstbepaling door een forfaitaire grondslag: de winst wordt afgeleid uit de nettotonnage van de ingezette schepen, ongeacht het commerciële resultaat. Dat maakt de fiscale positie van een rederij voorspelbaar en neemt de prikkel weg om naar een gunstiger vlaggenstaat uit te wijken. De regeling staat in art. 3.22 tot en met 3.24 Wet IB 2001 en geldt op verzoek, zowel voor de inkomstenbelasting als, via de vennootschapsbelasting, voor rederijen in de bv- of nv-vorm. Kernbegrippen zijn de kwalificerende activiteit en exploitatievorm, de nettotonnage als tabelgrondslag, en de zeescheepvaart onbelaste reserve (zor), die bij intreding buiten de winst blijft maar bij vroegtijdige uittreding alsnog wordt belast.

Dit thema beantwoordt:

  • Welke activiteiten en exploitatievormen kwalificeren als winst uit zeescheepvaart?
  • Hoe wordt de winst per schip berekend aan de hand van de nettotonnage?
  • Wat gebeurt er bij intreding met fiscale reserves en de stille reserve op de vloot?
  • Hoe werkt het keuzemoment en de gebondenheid aan de tonnageregeling?
  • Wat zijn de gevolgen van uittreding of beëindiging binnen of na tien jaar?

Kwalificatie: activiteit, exploitatievorm en beheer in Nederland

Toepassing van de tonnageregeling vergt dat cumulatief aan drie voorwaarden wordt voldaan. Ten eerste moet de winst zijn behaald met de exploitatie van een schip bestemd voor een van de activiteiten van art. 3.22 lid 4 Wet IB 2001: internationaal vervoer van zaken of personen over zee, vervoer ten behoeve van exploratie of exploitatie van natuurlijke rijkdommen op zee, exploratie van de zeebodem, het leggen van kabels of pijpen, takel- en hefwerkzaamheden op zee, kwalificerende baggerwerkzaamheden, of sleep- en hulpwerkzaamheden op zee, plus de daarmee direct samenhangende werkzaamheden (onderdeel c). Een schip dat wordt gebruikt voor cruises waarbij passagiers naar bestemmingen worden vervoerd, wordt geëxploiteerd voor personenvervoer en is geen pleziervaart in de zin van deze bepaling (ECLI:NL:HR:2010:BL1976).

Ten tweede moet de belastingplichtige het schip exploiteren op een van de wijzen van art. 3.22 lid 5: eigendom of rompbevrachting gecombineerd met beheer in Nederland en een EU/EER-vlag (onderdeel a); hoofdzakelijk commercieel beheer voor een ander naast eigen kwalificerende schepen (onderdeel b); tijd- of reischarter naast eigen kwalificerende schepen en binnen de 75%-grens voor niet-EU/EER-gevlagde chartertonnage (onderdeel c); of volledig bemannings- en technisch beheer voor een ander bij een EU/EER-gevlagd schip (onderdeel d). Het enkel bijeenbrengen van kapitaal en het optreden als beherend vennoot van een scheepvaart-cv, vóórdat commanditaire vennoten zijn toegetreden en het samenwerkingsverband een schip exploiteert, is geen exploitatie van een schip en hangt daar ook niet direct mee samen (ECLI:NL:HR:2012:BV8203).

Ten derde moet het beheer zowel formeel als materieel (deels) in Nederland zijn belegd: strategisch-commercieel beheer, technisch-nautisch beheer en bemanningsbeheer. Bij de vlagvoorwaarde van lid 5 onderdeel a en d gelden uitzonderingen: een grandfathering-toets op de eigen vlagverhouding van 17 januari 2004, een alternatieve drempel van ten minste 60% EU/EER-vlag in de eigen vloot, of een landelijke vlagverhouding over een driejaarsgemiddelde, vastgesteld bij ministeriële regeling (lid 6 tot en met 10).

Berekening: de tonnagetabel

Bij toewijzing vervangt de tonnagegrondslag de reguliere winstbepaling (art. 3.8 tot en met 3.20, 3.25 tot en met 3.65 en 3.79 Wet IB 2001). De winst per schip per dag volgt uit een oplopende schijventabel per 1.000 nettoton (art. 3.23 lid 1 Wet IB 2001): € 9,08 tot en met 1.000 NT, € 6,81 voor het meerdere tot en met 10.000 NT, € 4,54 voor het meerdere tot en met 25.000 NT, € 2,27 voor het meerdere tot en met 50.000 NT en € 0,50 voor het meerdere daarboven (2026), met een toeslag van € 1,77 boven 50.000 NT bij een niet-EU/EER-vlag, tenzij die vlag na 31 december 2008 voor het eerst is gevoerd of de vijf jaar vóór intreding niet-EU/EER-gevlagd was. Bij volledig bemannings- en technisch beheer voor een ander (art. 3.22 lid 5 onderdeel d Wet IB 2001) wordt het tabelbedrag met 75% verminderd. De tabel geldt over alle exploitatiedagen, inclusief onderbrekingen door onderhoud, reparatie of tijdelijke opleg. Winst uit niet-kwalificerende werkzaamheden met hetzelfde schip wordt via de gewone winstbepalingsregels bij de tabelwinst opgeteld.

Kerncijfers

ElementWaardeGrondslag
Eerste tonnageschijf (t/m 1.000 NT)€ 9,08 per dag per 1.000 NT (2026)art. 3.23 lid 1 Wet IB 2001
Vermindering bij volledig bemannings-/technisch beheer voor een ander75% van het tabelbedragart. 3.22 lid 5 onderdeel d Wet IB 2001
Grens niet-EU/EER-gevlagde chartertonnageten hoogste 75% van de eigen kwalificerende tonnageart. 3.22 lid 5 onderdeel c Wet IB 2001
Alternatieve vlagdrempel eigen vlootten minste 60% EU/EER-vlagart. 3.22 lid 6 onderdeel b Wet IB 2001
Gebondenheidsperiode na intreding (wederopzegging)10 jaar of een veelvoud daarvanart. 3.22 lid 3 Wet IB 2001
Nabelastingtermijn zor bij staking10 jaar na intredingart. 3.24 lid 1 Wet IB 2001

(wettekst geldend per 2026)

Intreding: fiscale reserves, stille reserve en de zor

Tegenover de doorgaans lagere forfaitaire grondslag staat een intredeconsequentie: in het jaar van het verzoek wordt het gezamenlijke bedrag van de aan de zeescheepvaart toe te rekenen fiscale reserves, waaronder de herinvesteringsreserve, en de stille reserve op de scheepsvloot (het verschil tussen waarde in het economische verkeer en boekwaarde) tot de winst gerekend, tenzij dat bedrag wordt gedekt door nog te verrekenen verliezen (art. 3.23 lid 2 en 3 Wet IB 2001). Het bedrag dat op die manier buiten aanmerking blijft, heet de zeescheepvaart onbelaste reserve (zor). Bij toetreding tot een transparante personenvennootschap gevolgd door toetreding tot het tonnageregime behoort het verschil tussen overdrachtsprijs en aanschaffingskosten van het schip, voor zover nog niet bij inbreng belast, eveneens tot de winst van het toetredingsjaar (ECLI:NL:HR:2014:1622).

Keuzemoment en gebondenheid

Het verzoek wordt gedaan in het eerste jaar waarin winst uit zeescheepvaart wordt genoten, of in het tiende jaar of een veelvoud daarvan nadien; de inspecteur beslist bij voor bezwaar vatbare beschikking (art. 3.22 lid 2 Wet IB 2001). Bij toewijzing geldt het regime vanaf dat jaar tot wederopzegging, die op haar beurt alleen kan ingaan op het tiende jaar of een veelvoud daarvan na intreding (lid 3). Het tonnageregime kan niet gedeeltelijk binnen een boekjaar gelden: het geldt voor het volledige boekjaar waarin het verzoek is gedaan, ook als de belastingplichtige om een latere ingangsdatum had verzocht (ECLI:NL:HR:2016:2859). Een afgegeven beschikking is bovendien geen garantie dat alle in een later jaar behaalde winst als winst uit zeescheepvaart kwalificeert: de beschikking regelt de toepassing van het regime, niet de jaarlijkse kwalificatietoets (ECLI:NL:HR:2018:2086). Winst uit zeescheepvaart wordt al genoten vanaf de eerste voorbereidende kosten voor een te bestellen of te bouwen schip, zodat het keuzemoment al in de opstartfase kan liggen.

Uittreding en beëindiging

Staakt de belastingplichtige de zeescheepvaartonderneming geheel of gedeeltelijk binnen tien jaar na intreding, dan wordt de zor alsnog tot de winst gerekend op het moment van staken (art. 3.24 lid 1 Wet IB 2001). Eindigt de tonnagetoepassing van een individueel schip binnen die termijn, dan wordt het schip gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer verminderd met de nog openstaande zor, met een ondergrens van nihil (lid 2). Blijft de onderneming langer dan tien jaar in het regime, dan vervalt de zor-claim van rechtswege en wordt bij latere uittreding gewaardeerd op de volledige waarde in het economische verkeer zonder correctie (lid 3).

Zekerheid vooraf en samenloop met de fiscale eenheid

Bij een fiscale eenheid geldt de keuze voor de tonnagegrondslag voor alle zeescheepvaartactiviteiten gezamenlijk: een fiscale eenheid tussen een moeder en dochter die beide winst uit zeescheepvaart behalen kan niet worden gevormd als slechts een van beide voor de tonnagegrondslag heeft geopteerd. Voor internationale vlootstructuren kan de kwalificatie voor het tonnageregime vooraf ter zekerheid worden voorgelegd aan het College Internationale Fiscale Zekerheid, zoals in gepubliceerde rulings uit 2022 tot en met 2025 over rederijen met een vloot zonder EU/EER-vlag.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Een verzoek om een latere ingangsdatum binnen hetzelfde boekjaar heeft geen effect: het regime beheerst het volledige boekjaar (ECLI:NL:HR:2016:2859).
  • Een afgegeven beschikking garandeert niet dat alle in een later jaar behaalde winst onder het regime valt; dat wordt per jaar getoetst (ECLI:NL:HR:2018:2086).
  • De 5%-ondergrens voor mede-eigendom, de 75%-grens voor niet-EU/EER-gevlagde chartertonnage en de vlagalternatieven van lid 6 tot en met 10 werken cumulatief; een kleine verschuiving in vlootsamenstelling kan het regime raken.
  • Kapitaalinbreng of optreden als beherend vennoot vóór toetreding van andere vennoten geldt niet als exploitatie van een schip (ECLI:NL:HR:2012:BV8203).
  • Uittreding binnen tien jaar na intreding activeert de zor als winst bij (gedeeltelijke) staking; na tien jaar vervalt die claim van rechtswege.

Recente ontwikkelingen

  • 2021: de advocaat-generaal concludeert dat een pijplegschip niet wordt geëxploiteerd "in het internationaal verkeer" in de zin van art. 15 lid 3 Verdrag Nederland-Zwitserland, omdat vervoer bijkomstig is aan het leggen van pijpleidingen; dit betreft de verdragskwalificatie, niet de activiteitentoets van art. 3.22 lid 4 Wet IB 2001 (ECLI:NL:PHR:2021:476).
  • 2022: de kennisgroep bevestigt dat een scheepvaartmoeder in een fiscale eenheid de tonnageregeling direct kan toepassen, ook als zij op zichzelf bezien nog een wachttermijn zou hebben (KG:011:2022:11).
  • 2024: de kennisgroepstandpunten over de begrippen "zee" (art. 3.22 lid 12 Wet IB 2001) en "schip" worden per 22 oktober 2024 ingetrokken en opgenomen in het beleid (KG:011:2023:6 en KG:011:2023:2).
  • 2025: de kennisgroep neemt het standpunt in dat de tonnageregeling ook kan worden toegepast op geleaste schepen tijdens de opstartfase van een zeescheepvaartonderneming, mits aan alle voorwaarden van art. 3.22 wordt voldaan (KG:011:2025:1).

Gerelateerde thema's

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 21 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.