Vennootschapsbelasting

Liquidatieverliesregeling

Bijgewerkt op 19 juli 2026

De liquidatieverliesregeling van art. 13d Wet VPB 1969 is de belangrijkste uitzondering op de deelnemingsvrijstelling. Waar de deelnemingsvrijstelling winsten en verliezen op een deelneming in beginsel buiten de winstberekening houdt, staat art. 13d lid 1 toe dat een verlies dat "tot uitdrukking komt nadat het lichaam waarin de belastingplichtige deelneemt is ontbonden" alsnog in aftrek komt. De gedachte daarachter is dat een verlies dat door liquidatie definitief niet meer verrekenbaar is voor de belastingplichtige, niet blijvend buiten de VPB-heffing hoeft te blijven.

Het liquidatieverlies wordt niet berekend op basis van de commerciële boekwaarde van de deelneming, maar op basis van het opgeofferde bedrag, verminderd met de ontvangen liquidatie-uitkeringen. Deze extracomptabele berekeningswijze, en de correctiebepalingen die art. 13d bevat voor tussenhoudsters, verbonden lichamen en fiscale eenheden, maken de regeling tot een van de technisch meest gelaagde onderdelen van de deelnemingsvrijstelling. Zij kent daarnaast stevige beperkingen: een kwantitatieve grens, een geografische eis voor grotere verliezen en een temporele eis over het moment waarop het verlies mag worden genomen.

Wanneer speelt dit

Het thema komt op zodra een deelneming wordt ontbonden en de investering daarin per saldo verlieslatend blijkt: de afwikkeling van een onderpresterende buitenlandse dochter, de liquidatie van een tussenhoudster in een gelaagde structuur, turboliquidatie van een lege of verlieslatende vennootschap, en de ontbinding van een deelneming die eerder deel uitmaakte van een fiscale eenheid en inmiddels is ontvoegd. Ook speelt de regeling bij herstructureringen waarbij de onderneming van het ontbonden lichaam wordt voortgezet door de belastingplichtige zelf of een verbonden lichaam: dan bepaalt art. 13e op welk moment het verlies alsnog mag worden genomen.

Wettelijk kader

De hoofdregel staat in art. 13d lid 1 Wet VPB 1969: de deelnemingsvrijstelling vindt geen toepassing op een liquidatieverlies, een verlies op een deelneming dat "tot uitdrukking komt nadat het lichaam waarin de belastingplichtige deelneemt is ontbonden". Lid 5 werkt de berekening uit: het liquidatieverlies wordt gesteld op het bedrag waarmee "het door de belastingplichtige voor de deelneming opgeofferde bedrag het totaal van de liquidatie-uitkeringen overtreft".

Voor grotere liquidatieverliezen geldt een beperking. Lid 2 bepaalt dat het liquidatieverlies "niet tot een hoger bedrag dan € 5.000.000 in aanmerking" wordt genomen, tenzij de belastingplichtige onmiddellijk voorafgaand aan de voltooiing van de vereffening een kwalificerend belang heeft in het ontbonden lichaam én dat lichaam is gevestigd in Nederland, een EU-lidstaat, een EER-staat of een aangewezen associatiestaat, en die situatie gedurende de vijf daaraan voorafgaande jaren onafgebroken heeft bestaan (met versoepelingen voor een later verkregen deelnemingsstatus of een mogelijke fiscale eenheid). Een kwalificerend belang is volgens lid 4 een belang waarmee zodanige invloed kan worden uitgeoefend "dat de activiteiten van dat lichaam kunnen worden bepaald".

Het tijdstip van aftrek is eveneens strikt genormeerd: lid 14 bepaalt dat het liquidatieverlies pas in aanmerking wordt genomen "op het tijdstip waarop de vereffening is voltooid", mits onder meer geen recht bestaat op enigerlei andere tegemoetkoming voor onverrekende verliezen van het ontbonden lichaam, de onderneming geheel is gestaakt of uitsluitend door een derde is voortgezet, en de vereffening uiterlijk in het derde kalenderjaar na de staking is voltooid, tenzij de belastingplichtige doet blijken dat een later tijdstip niet is gericht op het ontgaan of uitstellen van VPB-heffing.

Bij tussenhoudsterstructuren geldt een aanvullende correctie: lid 7 bepaalt dat wanneer tot het vermogen van het ontbonden lichaam een deelneming heeft behoord die deel uitmaakt van de liquidatie-uitkering of is vervreemd en sindsdien in waarde is gedaald, het liquidatieverlies "slechts in aanmerking [wordt] genomen voor zover dit verlies het bedrag van die waardedaling te boven gaat". Deze correctie wordt beperkt voor zover die waardedaling wordt overtroffen door een waardestijging van een andere deelneming die eveneens tot het vermogen van het ontbonden lichaam heeft behoord; waardemutaties die zowel onmiddellijk als middellijk tot uiting komen, tellen daarbij uitsluitend mee voor zover zij onmiddellijk tot uiting komen, en bij een deelneming die van een verbonden lichaam is verkregen, gaat de correctie niet verder dan het liquidatieverlies dat het ontbonden lichaam zelf ten aanzien van die deelneming in aanmerking heeft genomen. Wordt de onderneming voortgezet door de belastingplichtige zelf, dan regelt art. 13e Wet VPB 1969 dat het liquidatieverlies pas in aanmerking wordt genomen zodra die voortgezette onderneming zelf geheel is gestaakt of uitsluitend door een derde is voortgezet. Wordt zij voortgezet door een verbonden lichaam waarin de belastingplichtige deelneemt, dan wordt in plaats daarvan het opgeofferde bedrag voor die deelneming verhoogd met het berekende liquidatieverlies.

Belangrijkste rechtspraak

De Hoge Raad benadrukte in ECLI:NL:HR:2022:1578 (2022) dat het opgeofferde bedrag een extracomptabele grootheid is die niet afhangt van de balanswaardering van de deelneming: de regeling sluit niet aan bij de totaalwinst, maar geeft een tegemoetkoming voor door liquidatie definitief verloren verrekenbare verliezen.

In ECLI:NL:HR:2018:1791 (2018) oordeelde de Hoge Raad dat aan de destijds geldende bepaling over kwalificerende belangen geen ruimere uitleg kan worden gegeven dan de bewoordingen toelaten, ook niet met een beroep op doel en strekking: het liquidatieverlies bij liquidatie van een tussenhoudster na ontvoeging uit de fiscale eenheid werd volgens de grammaticale lezing vastgesteld.

ECLI:NL:HR:2023:1335 (2023) betrof de tussenhoudstercorrectie: deze moet worden berekend over de daling van de waarde in het economische verkeer van de aandelen in de kleindochter, naar rato van het percentage belang dat de belastingplichtige in de tussenhoudster hield in de opeenvolgende perioden.

ECLI:NL:HR:2025:417 (2025) ten slotte oordeelt dat de niet-tegemoetkomingseis wordt getoetst naar de feiten op het tijdstip van voltooiing van de vereffening, en dat de wetgever bewust heeft aanvaard dat verliezen daardoor in zekere zin dubbel aftrekbaar kunnen zijn.

Aandachtspunten voor de praktijk

  • Omdat het opgeofferde bedrag een extracomptabele grootheid is (HR 2022:1578), moet de onderbouwing los van de jaarrekeningwaardering worden opgebouwd; aansluiten bij de commerciële boekwaarde is onvoldoende.
  • Voor het kwalificerend belang van lid 4 (relevant voor de drempeluitzondering van lid 2) laat HR 2018:1791 geen ruimte voor een uitleg voorbij de bewoordingen; voor de tussenhoudstercorrectie vereist HR 2023:1335 een herrekening naar rato van het gehouden percentage per periode.
  • Het toetsmoment voor de niet-tegemoetkomingseis ligt bij voltooiing van de vereffening (HR 2025:417); wijzigingen in de fiscale positie tot dat moment kunnen de uitkomst nog beïnvloeden.
  • De termijn van lid 14 onderdeel c vergt tijdige planning van de vereffening; overschrijding is alleen te repareren indien de belastingplichtige doet blijken dat het uitstel niet is gericht op het ontgaan of uitstellen van heffing.

Recente ontwikkelingen

Naast HR 2025:417 publiceerde de kennisgroep van de Belastingdienst in 2025 standpunten over aangrenzende vragen, waaronder het moment waarop een moedermaatschappij het liquidatieverlies mag inbrengen bij staking van een binnen een fiscale eenheid voortgezette onderneming, en de behandeling van turboliquidatie van een tussenhoudster zonder liquidatie-uitkering.

Kernartikelen

Belangrijkste rechtspraak

Beleid en standpunten

Meer in de kennisbank

Nog 45 bronnen bij dit onderwerp in de kennisbank

Verwante thema's

Deze themapagina is algemene informatie, geen advies.